D66, Adieu.

Door: Peter Pappenheim

Toen je werd opgericht kwam je als geroepen. Hiroshima viel samen met mijn eindexamen en als eeerste jaars begon de koude oorlog en raakten wij in het Indonesische moeras. Ik werd overweldigt door het besef van de diepe kloof tussen ons technisch kunnen en onze onmacht om op een ook maar enigszinds aanvaardbare wijze met elkaar om te gaan. Ik ging over naar sociale wetenschappen. Gezien het belang van de ecnomie in de politieke discussies en de noodzaak om mijn brood te verdienen werd het economie met de kwanitatieve richting als keuzevak. Mijn besef werd sindien door de krant dagelijks bevestigd. Na elke verkiezing is de onvrede met de politiek en de kloof tussen kiezer en gekozene weer gegroeid.

Toen kwam D66. Ik werd lid en in 1968 gekozen in het bestuur van de afdeling Rotterdam. Als beleidsmedewerker, met o.a. marketing, van de directie van een multinational was mij snel duidelijk dat het D66 ontbrak aan de innerlijke samenhang: er was geen eenduidig beeld over wat wij de kiezer wilden bieden, in marketing een doodzonde. De mening van de kiezer was en is nog steeds: “onduidelijk, welwillende amateurs die vissen in de troebele wateren tussen de PVDA en de VVD”. Zo kon het gebeuren dat D66 eerst met de PVDA een progressieve partij wilde vormen op basis van “spreiding van macht, inkomen en kennis”, en dat zij nu liberaler wil zijn dan de VVD. De afdeling Rotterdam heeft daarom in oktober 1968, op het congres in Leiden, een resolutie ingediend waarin het landelijk bestuur werd opgedragen, een pamflet te maken waarin ook aan de niet politiek geschoolde kiezer duidelijk zou worden gemaakt wat D66 wil en wat zij onder democratie verstaat. Deze motie is met algemene stemmen aanvaard, door het bestuur overgenomen en nooit uitgevoerd. In 1972 heb ik nog een wat verder uitgewerkt voorstel gedaan dat tegen het reglement in niet in behandeling is genomen ten gunste van enkele onregelementair op het congres ingediende moties. Toen ben ik zelf aan zulk een pamflet begonnen. Het bleek moeilijker dan verwacht. Bij de politieke wetenschappen en filosofie kon ik tot mijn verbazing geen basis daarvoor vinden. Resultaat is deze web-site en de daarin vermelde werken. De verwording van D66 tekende zich al af bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1970. Van de dertig actieve leden wilden alleen de penningmeester en ik het accent leggen op verbetering van de gemeentepolitiek. Alle anderen waren bezig met hun opstelling voor het geval dat zij zouden worden gekozen in de gemeenteraad. D66 bleef bestaan met een kleine harde kern die zich wel voelde in deze vaagheid, zo nu en dan aangevuld met een toevloed van zwevende kiezers die gelokt waren door een aansprekende persoonlijkheid of uit onvrede met andere partijen, telkens gevolgd door de onvermijdelijke terugval. Het dramatische verlies eind vorige eeuw leek eindelijk te leiden tot een bezinning over waar D66 mee bezig was. Ik kreeg weer hoop en volgde de ontwikkeling op de voet. Helaas, in plaats van degelijk en effectief, koos men weer voor snel en leuk (“wij hebben een prachtig product, alleen de verpakking deugt niet” zonder vast te stellen wat ons product is). De partij die wat wilde doen aan “de kloof tussen kiezer en politiek” laat zich zelf niets aan de kiezer gelegen, en het waarom bleek in de impulsconferentie (zie hieronder, workshop 5).

ZO IS HET DAARNA GEGAAN. (voor inzage van de betrokken documenten klik op hun titel)

1998: “Opschudding”: een groep jonge D66′er riep op tot een verduidelijking van de identiteit van D66. Via een rondvraag onder de leden verzamelde men een aantal ‘waarden’ die eigen zouden zijn aan D66, hetgeen een grabbelton van wenselijkheden opleverde waaruit de leiders mede met oog op politieke opportuniteit de uitgangspunten van D66 vaststelden. Ik heb getracht, de zaak nog in goede banen te leiden via een artikel in de democraat no. 2, 1999: “Identiteit: bezinning of verkooppraat” ). Tevergeefs; het artikel werd in de democraat no 4 door Theo Veltman de grond in geboord door een uit zijn verband gerukt ‘citaat’ uit mijn slotzin te ‘verrijken’ met enkele door hem verzonnen woorden, een toppunt van demagogie. Het resultaat van Opschudding was een voorzet, de “Doelverklaring”, die in het congres in September aan de leden werd voorgelegd en die bovengenoemde vermoedens bevestigde. Ik heb op dat congres nog een stuk rondgedeeld, EEN OPROEP TOT BEZINNING, zonder succes. Op het congres van 25 maart 2000 werd de definitieve tekst, nu genoemd “de Uitgangspunten van D66″ vastgesteld. Via steun van twee afdelingen kon ik nog een MOTIE indienen, maar die werd door het bestuur ontraden en niet aangenomen. Zoals te verwachten viel zijn de “Uitgangspunten” zonder resultaat gebleven. 2002: Impulsconferentie. Workshop 5, Vraagstelling: D66: EEN PARTIJ VOOR KIESLIJSTEN OF EEN LEDENPARTIJ? Omdat ik bij workshop 7 zat heb ik van tevoren een schriftelijk commentaar ingediend bij de leiding, met als hoofdpunt: “Deze vraag biedt geen echte keuze: kieslijsten zijn niet ‘iemand’. Het antwoord lag dan ook bij voorbaat vast: een ledenpartij. De echte, zinvolle vraag had moeten luiden: “D66, EEN PARTIJ VOOR DE KIEZER OF VOOR DE LEDEN?” Het eerste is kenmerkend voor een echte publieke organisatie, een echte politieke partij. Het tweede is een club, en zo zien veel kiezers ons. Het correcte maar ongewenste antwoord op de vraag had moeten zijn: D66 is er voor de kiezers, maar bestaat door haar leden. Kieslijsten en politiek beleid ontstaan in een samenspel tussen beide aspecten. Na de conferentie heeft D66 een elektronisch forum geopend waarop ik op deze uitkomst heb gereageerd onder de titel: “D66: VAN CLUB TOT PARTIJ”Workshop 7 leek mij de moeite van de reis waard, want het ging om de vraag: “Wat is de principiële grondslag van D66? Is “democratie” een op zichzelf staande stroming naast het liberalisme, sociaal-democratie en confessionalisme?” Ik heb een motie ingediend; uit de schriftelijke toelichting een interessante informatie uit de krant dat bovengenoemde conclusie bevestigt over ons kiezersbestand: percentage trouwe kiezers: CDA: 66% PvdA: 46% VVD: 38% GroenLinks: 39% SP: 33% D66: 16%! Hoe het gelopen is met de workshop 7 kunt u lezen in op het foruum geplaatste “VERSLAG VAN DE IMPULSCONFERENTIE DEGRADEERT WORKSHOP TOT VRIJBLIJVEND GELEUTER”. Tom de Graaf’s omschrijving van D66 als sociaal liberaal doet weining aan bovengenoemd beeld van ‘opportunisten’. HOE DAN WEL? Dat heb ik op het forum samengevat in “NAAR EEN EFFECTIEVE STRATEGIE VOOR D66”.

2005: Pamflet van Boris Dittrich “Op weg naar een nieuwe solidariteit”, en een artikel van André Meirsonne in de NRC. Ook deze voorzien niet in de vraag naar duidelijkheid voor de kiezer, zie mijn naar de auteur en de NRC gezonden maar niet gepuliceerde reactie “Mode regeert politieke retoriek”.

2006 en 2007: Ramp: D66 haalt maar net drie zetels. In de hoop dat men nu rijp is voor een vakkundige aanpak heb ik direct een artikel gestuurd voor de democraat. Deze is niet geplaatst met als argument dat men al bezig was met een beleids-stuk voor de toekomst. Dat kwan er: de vijf projecten van de “Klim”. Zoals ik al vreesde, bleef het centrale probleem van D66 weer buiten beeld. Ik heb nog een stuk aan het bestuur gezonden met het voorstel voor een zesde project: het vaststellen van wat wij voor de kiezer willen betekenen, onze centrale doelstelling, ons “business objective”. Geen ractie, de Klim werd op een congres begin van de zomer aanvard. Ik heb mijn artikel aan de Klim aangepast en verdeeld in een korte oproep in de Democraat (“Bijna dood en nog niets gelereed”) en een groter stuk voor idee waarin ik het verder uitwerk en waarin ook zaken als onze doelgroep ter sprake komen (“Dekt DEMOCRATEN nog de vlag van D66”). Eind oktober 2007 kreeg ik het bericht dat zij niet zouden worden geplaatst. Er komt een ogenblik dat volharden overgaat in “een bord voor m’n kop”. Ik heb miin lidmaatschap opgezegd. Mocht D66 terugkeren naar haar wortels en een serieuze partij willen worden dan kan ik altijd weer lid worden.