GELOOF, REDE EN DEMOCRATIE.

Door: Peter Pappenheim

Het is democratie, niet rationalisme, die eist dat het geloof alleen  een rol mag spelen in de politiek als individuele keuze van de politicus. Hij kan er zijn inspiratie aan ontlenen, maar geen aanspraak maken op een status aparte: geloof levert geen geldig argument bij het bepalen van een beleid. Zoals thans gevoerd, is het een achterhaalde dovemans discussie. Achterhaald, omdat de revolutionaire wetenschappelijke bevindingen van de laatste vijf decennia op het gebied van leven en informatie ons mensbeeld en de gehanteerde concepten in een nieuw daglicht stellen, waardoor veel tegenstellingen kunnen worden opgelost… indien men dat wenst. Een dovemans discussie, ten eerste omdat de wil ontbreekt om tot overeenstemming te komen, en ten tweede en omdat aan de voorwaarden voor een vruchtbare discussie niet is voldaan. Deze voorwaarden zijn een gedeeld concept van democratie en van het wezen van de rede, incluis haar belangrijkste belichaming, de logica, en het daaruit afgeleid stelsel van regels voor argumentatie. Als aan deze voorwaarden wel zou zijn voldaan, moet overeenstemming mogelijk zijn.

DE REDE. Een van de hoofdkenmerken die de mens onderscheidt van andere levende wezens is de informatieverwerkend capaciteit van zijn rede. Daaraan dankt zij haar dominante positie in de hiërarchie van levende systemen. De hoge plaats die de rede inneemt in het huidige mensbeeld is dus wel degelijk verdient, maar op een andere wijze dan de Verlichting het zag. Kant heeft  haar een a priori, een eigen, buiten het denkende subject gelegen en dus transcendentaal bestaan toegedacht, en in zijn tijd was dit de enige consistente verklaring. Thans weten wij, of horen wij te weten, dat men dit a priori moet opvatten als ‘liggend in de verleden tijd’, een plaats  die ipso facto buiten onze macht ligt. De rede wordt ons meegegeven in onze wording tot de mens die wij zijn, via genen en/of ervaring. Evenals Kant’s categorieën is de rede een middel dat in onze hersenen wordt geprogrammeerd om vat te krijgen op de wereld die ons omgeeft, als een soort orgaan voor het bewerken van informatie die al via andere organen – zoals ogen, reuk etc. – daarin is opgeslagen. Zij heeft haar neerslag voornamelijk gevonden in de z.g. formele talen, de logica en haar afgeleide, de wiskunde. Deze gaat alleen over de deductie waarmee wij verbanden trachten te leggen of te evalueren tussen ervaringen, tussen feiten, en laat slechts drie oordelen toe: juist, onjuist of onbeslisbaar. Haar aanspraak op geldigheid ontleent zij aan haar succes van haar toepassing in de besluitvorming, een succes dat door iedereen die dat wil kan worden beoordeeld. Gebeurtenissen die haar tegenspreken noemen wij een wonder, en daarop kan men niet bouwen. De rede gaat  noodzakelijkerwijze vooraf aan alle producten van al het denken dat van haar gebruik maakt, dus ook aan b.v. een discussie over religie, zij is er deel van.

In haar algemene geldigheid ligt ook haar beperking: met alleen de rede kan men geen enkele uitspraak doen over de wereld, over feitelijke zaken, ook niet wat het geloof betreft! Door haar kunnen wij alleen bepalen of een uitspraak al of niet voldoet aan haar regels van deductie. In elke redenering vormen de feiten waartussen de rede verbanden legt datgene waarover het gaat. Een redelijke uitspraak is uit dien hoofde nog niet per se waar; daartoe moeten ook de in stelling gebrachte feiten waar zijn. Men kan een goede reden hebben om te liegen of te fantaseren. Een redenering die niet aan de regels van de rede voldoet laat geen andere conclusie toe dan dat de uitspraak niet te beoordelen is in termen van waarheid of waarschijnlijkheid; zulk een uitspraak kan derhalve niet dienen als basis voor de besluitvorming; zij biedt geen voordeel boven het gooien van dobbelstenen. Om aan zulk een uitspraak een hogere waarschijnlijkheid toe te kennen is pure misleiding. In feite accepteert iedereen deze regels (zeker van de logica der predikaten), en hun geldigheid is met eenvoudige voorbeelden zijn te staven. Twijfelen aan de geldigheid der logica is een symptoom van een acute allergie voor de uitspraak waartoe zij heeft geleid. Concluderend: Dat een uitspraak voldoet aan de regels der rede en logica zegt nog niets over de waarheid ervan; die hangt af van de waarheid der feiten waaruit zij is afgeleid. Een uitspraak die niet aan de regels der rede voldoet laat geen enkele verdere conclusie toe dan dat zij daaraan niet voldoet. Dat geldt voor wetenschap net zo als voor geloof. Op het niveau van het individu hoeft er dus geen conflict te bestaan tussen rede/wetenschap en geloof, want als individu is het vrij om deze regels of de aangevoerde feiten te accepteren of negeren. Meer over de rede in ADDENDA, punt 2).

DEMOCRATIE. Zodra een opvatting wordt ingezet in de maatschappelijke besluitvorming ligt dat anders. Elk maatschappelijk besluit, ook op het gebied van het geloof, wordt altijd door mensen genomen. Waar de meningen verschillen, rijst de vraag, “wie heeft de autoriteit, c.q. de macht, om dit besluit te nemen, wie heeft het laatste woord?”. Dat hangt af van de maatschappelijke orde waarin de besluitvorming plaats vindt. Wij hebben gekozen voor democratie. Haar kenmerk is het verwerpen van elke a priori autoriteit van een individu over het andere, te vertalen in gelijke autoriteit van alle burgers zoals uitgedrukt door het beginsel van  subjectieve gelijkwaardigheid in de maatschappelijke besluitvorming. Geschillen dienen zo veel mogelijk te worden opgelost door argumentatie, die daartoe aan bepaalde eisen moet voldoen. Zoals elders uitgelegd (*), is een van deze eisen een maximum aan objectiviteit waar het uitspraken betreft over de feiten die bij deze argumentatie worden ingezet. In een democratische argumentatie dienen deducties te voldoen aan de eisen der logica en wiskunde. Gehanteerde feiten dienen zoveel mogelijk door een ieder toetsbaar te zijn, zo dat wij het niet aanvaarden ervan kunnen toeschrijven aan het ontbreken van de wil om tot overeenstemming te komen. Een ander relevant beginsel der democratie is reciprociteit: wie deze regels niet aanvaard kan zich dan ook verder niet daarop beroepen; wat waar is wordt dan uitsluitend nog bepaald door macht.

RELIGIE. Relevant voor deze discussie zijn alleen religies die aanspraak maken op algemene geldigheid en zich daarvoor beroepen op het bestaan en kennen van een almachtige en alwetende God. Veel gelovigen ontlenen aan het bestaan van God de rechtvaardiging om hun opvattingen over de wereld en hun morele geboden aan anderen op te leggen. De discussie daarover is dan ook van meer dan academisch belang. Zij zelf  hebben er aldus een politiek onderwerp van gemaakt dat directe implicaties heeft voor de maatschappelijke orde. Voor een zinvolle discussie moeten wij het eens worden over wat wij onder God verstaan.

A) Bestaan van God. De meest omvattende en algemeen gangbare hoedanigheid van God is die van schepper van onze wereld, van het heelal. Een discussie over God begint met de vraag of hij bestaat. Er zijn drie alternatieven, met tussen haakjes en bijbehorende groeperingen: ‘God bestaat’ (gelovigen), ‘God bestaat niet‘ (atheïsten) en ‘het bestaan van God is niet bewezen en zijn niet-bestaan is onbewijsbaar’ (agnosten).

Atheïsten tegenover agnosten. De atheïstische positie is eenvoudig: God bestaat niet. De positie van de agnost is tweeledig. De eerste stelling van de agnost is gelijk aan die der atheïsten, namelijk dat zijn bestaan nooit bewezen is. Ten tweede stelt hij dat het niet-bestaan niet te bewijzen is, en daarin verschilt hij van de atheïst die het niet-bestaan wel te bewijzen acht. De agnost beroept zich daarbij op een bekende stelling uit de logica, namelijk dat het bestaan van iets kan worden bewezen door het te tonen, en dat het niet bestaan niet op deze wijze bewezen kan worden (omdat niemand ooit het heelal kan overzien); ongeacht hoever de wetenschap de oorsprong van het heelal kan achterhalen, er zal altijd de vraag blijven: en waar komt deze oorsprong vandaan? Het niet-bestaan kan alleen bewezen worden door aan te tonen dat het niet kan bestaan, bv. omdat de definitie van het onderwerp een contradictie inhoud. De agnost meent dat betreffende God dit bewijs nooit geleverd is. (De atheïst Herman Philipse denkt daar anders over, maar ten onrechte, (zie in addenda, punt 4)). Hij zou bereid zijn het bestaan van God als schepper te accepteren indien hem onweerlegbare bewijzen worden voorgelegd, bij voorkeur dat God zich persoonlijk aan hem voorstelt.

Dat zonder een nadere specificatie van God zijn bestaan niet kan worden bewezen maar ook niet kan worden weerlegd, heeft de deur geopend voor een nieuwe stroming, ‘ietsisme’ en “intelligent design”, waarmee sommige theologen hun geloof in het bestaan van God willen onderbouwen. Hun argument is dat de wetenschap er nog niet in is geslaagd om alle aspecten van onze wereld te verklaren. Dit argument kan op generlei wijze leiden tot de conclusie dat er “iets” anders moet zijn (ex falsibus omnii) om dezelfde reden dat de wetenschap niet kan bewijzen dat zoiets er niet is. ‘Iets’ heeft geen inhoud zolang niet is gezegd wat dat ‘iets’ is; ‘iets bestaat’ is even betekenisloos als ‘iets  is blauw’. Kortom, over het al dan niet bestaan van God is geen uitspraak mogelijk die enige aanspraak kan maken op waarheid.

De opvatting  van de agnost is volledige in overeenstemming met de logica, hij vertegenwoordigt de rede, hetgeen zoals gezegd wordt betwist door Herman Philipse  voor de atheïsten de eer opeisen van vertegenwoordigers der rede. Daartoe   legt hij de agnost een uitspraak in de mond die echte agnosten nooit zullen doen, namelijk dat alle houdingen t.o.v. dit onderwerp even redelijk zouden zijn en dat een uitspraak over het al dan niet bestaan van God de rede te boven zou gaan. In tegendeel, de agnost baseert zijn stelling juist op de rede, zoals hierboven is aangetoond. De agnost is vrij om aan te nemen dat er een God is, bv. omdat dit voor hem de onvermijdelijkheid van de dood draaglijker maakt, alleen doet hij dit in het besef dat hij daarmee niets zegt over het wel of niet bestaan van die God, hij maakt geen aanspraak op de algemene geldigheid van zijn opvatting. Dat heeft geleid tot een tweede verwijt van Philipse: dat de houding van de agnost nog niets zegt over wat hij werkelijk vindt als persoon. Dat is onjuist; hij vindt alleen dat zijn persoonlijke opvatting daarover, evenals die van anderen, geen aanspraak kan maken op waarheid en niet mag dienen om ze anderen op te leggen. Maar hij kan er wel een hebben. Daarom mijn persoonlijke opvatting, die van een pure existentialist. Zoals la Rochefoucault zij: het leven is lange en op den duur vergeefse strijd tegen de dood. Met de zekerheid van de dood voor ogen probeer ik zelf naar eer en geweten zin aan mijn leven te geven, namelijk zoals ik het zou willen als ik God was, en ga daarbij uit van wat ik weet over de (zijn?) schepping. Als God bestaat en ik zijn schepsel ben, moet hij mij niet de schuld toeschuiven als dat hem niet bevalt. Het al dan niet bestaan van God is daarom voor mij irrelevant. Als  agnost begrijp ik wel dat iemand die is opgegroeid in een gelovig milieu niet twijfelt aan het bestaan van God. Voor veel mensen is het besef van hun vergankelijkheid ondraaglijk; het geloof in God en een hiernamaals biedt dan soelaas. (Ten tijde van het ontstaan van religie was het concept van ‘god’ trouwens een rationele verklaring voor een anders onverklaarbare de wereld) Geconfronteerd met zo iemand is de agnost vrij om die houding aan te nemen die de rede hem ingeeft. Hij kan trachten om de ander zijn geloof te ontnemen, waarbij hij kan putten uit de vracht aan argumenten die atheïsten zoals Herman Philipse hem aandragen. Agnost of atheïst, de rede kan hem ook aanbevelen om een gelovige zijn illusie te gunnen omdat dit voor hem het beste lijkt te zijn (iedereen kan zich wel een voorbeeld daarvan voorstellen), mits de gelovige daaraan geen vrijbrief  ontleent om op zijn opvatting aan anderen op te dringen. Kortom, op het niveau van het individu kan het geloven in een God niet a priori als onredelijk worden afgedaan, net zo min als de overtuiging dat hij niet bestaat. De wereld van de agnost omvat gelovigen en atheïsten en is derhalve de enige die verenigbaar is met democratie.

B) Kennen van God. Hierover zijn atheïsten en agnosten het eens. Alles wat wij van God   weten anders dan via onze persoonlijke ervaring wordt ons door andere mensen meegedeeld. Als hij bestaat,  dan is het enige voor ons allen kenbare teken ervan zijn schepping, en het is de rede die deze voor ons kenbaar tracht te maken via de wetenschap. Zoals gezegd zal deze nooit aanspraak maken om de waarheid van alles te kunnen vertellen. Maar zij is wel de meest eerlijke en  betrouwbare (want door allen toetsbare) bron van kennis over de schepping. Wie geloofd in hetgeen hem over God  wordt verteld geloofd in feite niet in God, maar in de mensen die het hem vertellen en die voldoende macht over hem hebben om het aanvaard te krijgen. Deze kunnen wij aansprakelijk stellen voor wat zij aanrichten, bv. het onthouden van condooms aan bewoners van ontwikkelingslanden. En in een democratie kunnen zij geen aanspraak maken op enige autoriteit in de besluitvorming (zie hierna ‘geloof en politiek’.)

SAMENVATTEND: In een democratische discussie over zaken die meer dan de betrokken individuen aangaan moeten atheïsten en gelovigen zich beperken tot het standpunt van de agnost. Is dat een groot verlies? Niet in een democratie, want deze garandeert het recht op eigen opvatting, ongeacht hoe onwaar zij is, zolang daarmee geen afbreuk wordt gedaan aan dezelfde rechten van anderen. Zowel atheïst als agnost kunnen en moeten zich verzetten tegen elke aanspraak van speciale privileges voor een geloof in een God, omdat die duidelijk onverenigbaar zijn met onze democratische gemeenschap. Dat zelfde geld voor een beroep op een geloof als argument voor een besluit dat gevolgen heeft voor anderen, want in een democratie rust de bewijslast altijd op diegenen die een besluit voorstellen. De atheïst kan aan zijn opvatting geen rechtvaardiging ontlenen voor voorstellen die anderen dit geloof willen ontzeggen, nog voor het verwerpen van voorstellen van gelovigen die andermans materiële en immateriële belangen niet in het geding brengen. Voorstellen die niemands belangen in het geding stellen hebben geen maatschappelijke goedkeuring nodig, zij maken geen deel uit de taak van een democratische overheid.

De reden om zoveel aandacht te geven aan het verschil tussen agnost en atheïst is niet alleen een kwestie van principes. De pogingen van atheïsten om elk geloof, ook het persoonlijke, in een hogere of buitenaardse macht als irrationeel en bewijsbaar onjuist te bestempelen ondergraaft een gezamenlijke positie met de agnost tegenover theocratische bevliegingen, en geeft – door het democratisch reciprociteitsbeginsel -  ammunitie aan gelovigen die het verzet daartegen trachten te ondergraven door haar te bestempelen als ‘verlichtingsfundamentalisme’.

GELOOF EN  POLITIEK.

De positie van het geloof in een democratische politiek is hierboven al impliciet gegeven: appel aan een hogere autoriteit is geen geldig argument om een maatschappelijk besluit te rechtvaardigen wanneer dat op weerstand van anderen stuit; het is een poging om aan het geloof de autoriteit te ontlenen die zijn eigen opvattingen een hogere status moet geven dan die van anderen. Aangezien dit geldt voor alle hogere autoriteiten, houdt het verwerpen van deze aanspraak geen uitspraak in over het geloof. Trouwens, geen mens kan beletten dat een almachtige God – zo hij bestaat – daadwerkelijk zijn autoriteit uitoefent als hij dat wil. Intussen heeft bij mijn weten geen enkele  ‘hogere autoriteit’ ooit een stembiljet ingevuld, het woord in de kamer gevoerd,  een wet geschreven, een boef aangehouden of zich op een andere wijze aan mij kenbaar gemaakt; het zijn altijd mensen geweest. Elke poging om het feit dat een opvatting aan de godsdienst is ontleend te gebruiken als argument in de maatschappelijke besluitvorming is puur theocratisch imperialisme of – in een thans populair woord – fundamentalisme. De rampen die het geloof heeft veroorzaakt of medeplichtig was hebben niets te maken met het al of niet bestaan van God, maar alles met de aanspraak die gelovigen maken op exclusiviteit van de kennis van zijn wil, en die daaraan het recht ontlenen om in te grijpen in het leven en denken van andere mensen. Daarmee verheffen zij zich tot het niveau van god, een hybris die de kwalificatie van godslastering verdient. Zoals John Milton al ruim drie eeuwen gelden schreef: als Gods wegen ondoorgrondelijk zijn, dan staat het een ieder vrij om die wegen op zijn eigen wijze te verkennen. Zoals de geschiedenis aantoont heeft de vermenging van het christelijk geloof met de politiek de boodschap van haar grondlegger grondig gecorrumpeerd.

Gelovigen bedienen zich daarbij van een demagogische retoriek die onverenigbaar is met democratie. Bv. André Rouwvoet, die de discussie te stelt in termen van absolute waarheid: “Gelovigen zoeken een boven de mens staande waarheid in wat de bijbel zegt over de Schepper en zijn schepping, en zij stellen deze waarheid op minstens gelijke voet met de waarheid van de rede en van de wetenschappelijke kennis”. Een zonde die helaas ook door sommigen van hun tegenstanders wordt begaan. Zo stond (Volgens Sjoerd de Jong, NRC van 29/11/05) in een voorstel voor de notitie van de VVD over inburgeren dat “culturen die de autonomie van het individu niet erkennen buiten de morele waarheid staan”.  Gelukkig is deze fundamentalistische onzin niet in het liberale manifest terechtgekomen, want uitspraken als deze, evenals die van bepaalde atheïsten, geven Rouwvoet c.s. ammunitie om de rede op voet van gelijkheid te stellen met het geloof of zelfs daaraan ondergeschikt te maken. De kern van de verlichting is nu juist dat niemand de waarheid in pacht heeft, Einstein niet en  Rouwvoet niet. Wat de rede wel kan, is onwaarheid ontmaskeren en alternatieve uitspraken over feiten rangschikken in orde van waarschijnlijkheid. De geldigheid van de daartoe ingezette logica berust, zoals gezegd, niet op een of andere menselijke of bovenmenselijke autoriteit, maar op het feit dat iedereen de juistheid van de logica kan toetsen en nog nooit iemand de onjuistheid van haar regels heeft kunnen aantonen, terwijl een onbeperkte voorraad aan voorbeelden beschikbaar is die haar geldigheid bevestigen. Een van haar conclusies is dat moraal, die gaat over ‘hoe het zou moeten zijn’, niet vatbaar is in termen van waarheid, want die gaat over ‘hoe het is’.  De wetenschapper onderzoekt alleen ‘hoe het is’, zoals  gezegd zonder aanspraak op absolute waarheid. Hij zoekt deze kennis in de schepping zelf via zijn waarnemingen, geordend door de rede, en hij stelt deze kennis doorlopend ter discussie, of hoort dat te doen. De ultieme rechter blijft de schepping zelf (het mislukte experiment, de ingestorte brug), en zijn uitspraken zijn in principe toetsbaar voor allen die het vermogen tot de rede hebben; ook christenen, inclusief Rouwvoet, zijn daarmee begiftigd. Deze toetsing van de ‘waarheid’ van uitspraken over feiten aan logica en aan waarneembare feiten is het – voor de politiek meest relevante – verschil tussen geloof en wetenschap, want zij waarborgt de gelijke autoriteit van alle deelnemers en voldoet daarmee aan de eis van de democratie.

Dit verschil is absoluut, het is niet overbrugbaar. De uitspraak van Balkenende, gesteund door b.v. Cees Dekker en Rik Pels (NRC 13/12/08) dat “geloof en wetenschap dichter bij elkaar liggen dan vaak wordt gedacht omdat beiden zoeken naar waarheid” is gewoon onzin. Alleen de wetenschap zoekt; het geloof heeft al gevonden, namelijk in wat profeten, bijbel etc. hebben gezegd, het accepteert hun autoriteit. De wetenschap is doorlopend bereid om haar bevindingen te veranderen als de feiten daartoe aanleiding geven en accepteert alleen het gezag van de wereld zoals zij is en die – in de vorm van de dood – altijd het laatste woord heeft. Dit gezag van de wereld wordt ook door vrijwel alle gelovigen aanvaard wanneer het hun uitkomt, bij elke medische behandeling, gebruik van vliegtuig etc. Er is wel een weg om wetenschap en geloof  dichter bij elkaar te brengen. Als men God ziet als de schepper van onze wereld, dan is deze wereld de directe uitdrukking van zijn wil. De zin van het leven is dan het leven zelf zoals dit door de wetenschap geleidelijk aan ons wordt onthuld, en de opdracht aan de mens is om het te koesteren. Het besef dat wij samen moeten werken aan het onwaarschijnlijke avontuur dat het leven is kan een antwoord geven aan de behoefde van de mens naar zingeving en ergens bij te horen, een behoefde waaruit het geloof is ontstaan en waarin de rede zou moeten voorzien bij ontstentenis van het geloof. Samenwerken aan zulk een onderneming tussen atheïsten en gelovigen is mogelijk zolang beiden zich beperken tot de wereld, c.q. de schepping als onweerlegbare uiting van Gods wil, en accepteren dat alleen deze schepping autoriteit heeft in conflicten daarover tussen mensen. Beiden moeten de mens zien als onderdeel van deze wereld, niet als heer en meester ervan. Dan kan het geloof kan zijn integrerende en zingevende functie vervullen.

De noodzaak van geloof, van godsdienst, wordt nog via een ander argument gerechtvaardigd, namelijk dat rede en wetenschap een wereld hebben geschapen die geen recht doet aan het mens-zijn. “Godsdienst beschermt de mens tegen de pretentie van de wetenschap, alles te kunnen verklaren”, want: “De wetenschap heeft een blind oog voor de subjectieve werkelijkheid, en precies op dat punt komt de godsdienst om de hoek kijken.” (Ger Groot, NRC 14/6/08). Groot is zelf geen religieus mens, maar ziet een aspect van het mens-zijn, een behoefde, waaraan onze z.g. wetenschappelijke en rationele wereld tekort doet en waarin de religieuze ervaring, en dus de godsdienst kan voldoen. Een godsdienst waarin God staat voor deze ervaring en die dus niet objectiveerbaar is, blijft binnen een wetenschappelijke cultuur. Hij kent geen hogere autoriteit waarop men zich kan beroepen en is verenigbaar met democratie. Maar hoe realistisch is de veronderstelling van een godsdienst zonder God? Toch is Groot’s bezorgdheid terecht, en er is een vloed aan geschriften die wijzen op soortgelijke tekortkomingen van het huidige “rationalistisch” wereldbeeld en praktijk. Dit ligt echter niet aan de rede of de wetenschap als zodanig, het ligt aan een verkeerde inzet ervan.

Wat hier gezegd is over geloof in de politiek geldt voor alle onvoorwaardelijke geloven, voor alle utopieën, zoals het communisme. De kennis van de evolutionaire aard van het leven stelt dat dit een “open ended” proces is, dat het geen vaststelling van een optimale eindtoestand toelaat, ook niet voor een economisch proces.

ER IS NIET TE VEEL, MAAR TE WEINIG REDE, TE WEINIG BRUIKBARE  SOCIALE WETENSCHAP EN FILOSOFIE. (zie ook mijn boek (*), hoofdstuk “The social responsibility of science”.)

Dat de rede de dwingende basis van het geloof heeft ontkracht is nog geen aanleiding voor triomfalisme. In de vorm van wetenschap en techniek heeft zij ons een macht gegeven die in de rest van de levende wereld ongekend is. Met deze macht krijgen wij ook de verantwoordelijkheid voor de gevolgen van haar inzet, want door de rede kennen wij deze gevolgen en weten wij dat misbruik onze schuld is. Elk levend wezen moet zijn plaats vinden binnen de wereld, moet daarin zijn geïntegreerd. Voor een sociaal wezen behoort de groep tot zijn biotoop. Meer dan welk ander schepsel is een mens afhankelijk van zijn medemensen, ook die uit het verleden. Elk wezen leeft door exploitatie van zijn omgeving, maar moet ook deze omgeving in stand houden en daartoe een evenwicht vinden tussen beiden, het moet in groep en omgeving zijn geïntegreerd. Tot aan de mens werd de integratie in de groep verzorgd door instinct, aangevuld met het leren van ouders of groepsgenoten. De mens, begiftigd met de rede en bewust van zijn gedachten en drijfveren, kan instinct of aangeleerd gedrag negeren wanneer dat dit in conflict komt met zijn streven. Om integratie te waarborgen moeten onze aangeboren drijfveren worden aangevuld met cultuur in de vorm van recht en moraal. Tot aan de verlichting speelde het geloof  daarin een voorname rol. Door de rede is de autoriteit van het geloof in wereldlijke zaken niet meer vanzelfsprekend  en voldoet ook niet. De verantwoordelijkheid voor een moraal die recht doet aan de huidige macht van de mensen valt toe aan diegene die daarvoor verantwoordelijk is: de rede.

De moraal gaat over hoe-het-zou-moeten-zijn; het antwoord kan dan niet door de wetenschap worden gegeven, want die gaat over hoe-het-is. De stelling dat de moraal geen uitspraak toelaat in termen van waarheid leidt niet tot een moreel nihilisme, zoals velen vrezen. De moderne visie van het leven maakt een scherp onderscheid tussen nut en functie, en toont aan dat functie de voor de hand liggende categorie is voor het begrijpen en evalueren van de eigenschappen,  gedrag en producten van levende wezens (*, p44). In tegenstelling tot nut is een functie wel te evalueren met enige mate van objectiviteit als het doel bekend is waarvoor zij wordt ingezet, Een uitspraak over ‘hoe het zou moeten zijn’ is dan wel vatbaar voor wetenschappelijke analyse. De algemene functie van de moraal is het waarborgen van samenleven en samenwerken van individuen in een gemeenschap, en de concrete inhoud ervan wordt bepaald door de aard van de gemeenschap die men wenst. Door ervaring en met behulp van de rede hebben wij gekozen voor democratie. Het is de taak van de rede, in casu de sociale filosofie en wetenschap, om de voorwaarden daarvoor te scheppen, waaronder de moraal. De rede doet niets. De taak moet worden vervuld door mensen, allereerst door diegenen die door aanleg en beroep zich opwerpen als de vertegenwoordigers van de rede. Helaas (zie Julien Benda: Het verraad der klerken) wordt deze taak niet erkend, laat staan vervuld.

SAMENVATTEND: In de politiek komen wij God nooit tegen, alleen individuen en organisaties die een bepaald geloof aanhangen en zich daardoor laten inspireren. In een democratie is dat hun goed recht, maar slechts als een persoonlijkheidskenmerk waaraan zij geen aparte status, geen autoriteit kunnen ontlenen t.o.v. andere kenmerken en opvattingen. Het geloof mag volop meedoen in de maatschappelijke discussie, maar bij het nemen van een besluit mag de politiek zich nooit laten leiden door een bepaalde geloofsopvatting; “Het staat in de Bijbel of Koran” is geen geldig argument. Gezien de functie van een grondwet in een democratie mag deze geen verwijzing naar de joods-christelijke of andere traditie bevatten. Dit secularisme is een onvermijdelijk attribuut van democratie en staat niet tegenover welk geloof dan ook, het staat – als meta moraal – boven alle moraal. Democratie  maakt geen aanspraak op absolute waarheid, zij blijft een subjectieve keuze gebaseerd op een evaluatie van alternatieve en elkaar uitsluitende vormen van maatschappelijke orde. Deze keuze impliceert ook een oordeel over de zegeningen van religie in de politiek. Daarover is wel een zinnige discussie mogelijk.

(*) The Conceptual Foundations of Decision-making in a Democracy.

ADDENDA: DISCUSSIES OVER REDE/WETENSCHAP VERSUS RELIGIE.

1) Waarheid en waarschijnlijkheid heeft alleen betekenis en geldigheid voor de empirische wereld.
Rouwvoet’s c.s.
concept van twee werelden is een poging om het begrip waarheid toch ook elders te laten gelden. De wetenschappelijke wereld heeft betrekking op de empirische werkelijkheid; de andere gaat over vragen van zingeving, naar de uiteindelijke betekenis, religie, en van b.v. ook over emoties, geluk, waanhoop, verlorenheid, ontzag en verbazing (De Rijk). Deze gebieden zouden zorgvuldig uit elkaar moeten worden gehouden, zeggen de voorstanders van de tweedeling. Waarom eigenlijk? Alles wat mensen denken, voelen of geloven, kortom de hele wereld voor zover zij geacht word te bestaan, behoort tot de empirische werkelijkheid en is voer voor de wetenschap. Maar ook daarover is alle kennis , voor zover aanwezig, door mensen  verzameld en bestaat alleen in onze geest, net zo als alle beelden die wij over de wereld hebben geschapen, als alle kennis. Een uitspraak over waarheid of waarschijnlijkheid kan alleen over deze wereld gaan. Wij kunnen immers en per definitie alleen daarover de ervaringen vergaren die nodige zijn om aan  een (synthetische) uitspraak over het al of niet waar zijn ervan te onderbouwen. Een eerste verschil tussen wetenschappelijke kennis en kennis uit andere bronnen ligt in de methode waarmee de kennis is vergaard en het hoofd-criterium voor validering:  een maximale graad van waarschijnlijkheid zoals hierboven gedefinieerd. Waarheid is zelf geen feit, maar een categorie, net zo als snelheid; ze is een eigenschap die wij kennis toedichten, en die ze in meerdere of mindere mate kan hebben. Een tweede verschil is dat de wetenschap de kwalificatie van ‘de meest ware die thans beschikbaar is’ moet kunnen verantwoorden t.o.v. anderen mensen door een beroep op de door haar omschreven realiteit als scheidsrechter, een beroep dat nooit eindigt in een uitspraak ‘waar’, maar alleen in het veroordelen van concurrerende uitspraken als ‘onwaar, minder waar’ of in ‘onbeslisbaar’ bij gebrek aan bewijs. Dat alle bestaande werelden onderwerp kunnen zijn voor de wetenschap wil niet zeggen dat er daarover ook wetenschappelijke kennis bestaat. Het aantal feitelijke zaken waarover de wetenschap vandaag de dag nog geen verantwoordde uitspraak kan doen is thans nog oneindig, een hele troost voor wie de wetenschap wil gaan dienen: hij is voor de voorzienbare toekomst van werk verzekerd. Zoals de logica stelt, is over dit deel van de wereld geen andere uitspraak in termen van waarheid te doen dan dat het nog onbekend is.

Dat er nog steeds verwarring heerst over de tegenstelling van wetenschap en religie e.d. komt doordat de implicaties van de recente bevindingen van de moleculaire biologie over het wezen van het leven en van de rol die informatie daarin speelt nog niet tot de filosofische wereld zijn doorgedrongen. In bovengenoemd boek heb ik een poging gedaan om deze op een rijtje te zetten. Kort samengevat: Levende wezens moeten de energie en materialen die voor hun voortbestaan en voortplanting nodig is uit hun omgeving halen. Dat doen zij in processen die zelf ook energie kosten. Om meer energie te leveren dan zij kosten moeten ze kunnen worden aan en uitgezet na gelang de omstandigheden daarvoor gunstig zijn, en dat impliceert een besluit. Om een correct besluit te nemen moeten zij deze omstandigheden kennen, en die wordt geleverd door het aan de levende wereld voorbehouden informatieproces, ook de meest primitieve bacteriën. Deze kennis moet waar zijn in bovengenoemde betekenis, wil het betrokken wezen overleven. Informatieprocessen die geen ware informatie produceren worden in de natuur vanzelf afgestraft.  Zonder waarheid geen leven! De voorname positie van waarheid is dus terecht. Filosofieën zoals Rorty’s en MacCloskey’s postmodernisme die aan deze positie tornen zijn gewoon onzin en blijken dan ook op een redeneerfout te berusten.

De gevolgen van het inzetten van onjuiste feiten in de besluitvorming is de reden waarom de wetenschap zich moet verantwoorden voor de door haar als wetenschappelijk gekwalificeerde kennis. Zolang een wetenschapper kennis alleen inzet voor zijn eigen besluiten, hoeft hij dat niet. Waarheid wordt pas een morele plicht wanneer iemand zijn kennis aan anderen aanbiedt, want  daarmee beïnvloedt hij hun besluitvorming als zij als waar wordt aanvaard. De hoge status van waarheid en de mogelijkheid om door aldus aanvaarde uitspraken het gedrag van anderen te sturen zijn de verklaring waarom  “waar” zo een gewild certificaat is, en zoveel wordt misbruikt. Indien men deze kwalificatie aan bovengenoemde emoties toekent, kan deze uitspraak alleen van toepassing zijn bij de vraag: heeft iemand werkelijk deze emoties, en zo ja, waarom? De emotie zelf is niet waar of onwaar, zij kan prettig zijn of juist pijnlijk, goed of slecht etc. Wanneer De Rijk er een apart ‘magisterium’ van maakt, dan heeft dat niets met deze emoties en met wetenschap te maken. Zijn motief is het terechte inzicht dat de huidige materialistische, ‘ver-economiseerde’ wereld daaraan geen recht doet, maar dat hij de oorzaak legt bij de wetenschap is een misvatting; er is – zoals gezegd – niet een teveel aan wetenschap, maar een tekort. De ‘wetenschappelijke’, of op z.n minst filosofische verantwoorde conclusie moet zijn dat over de wil van God en over de door De Rijke genoemde zaken geen waarheidsoordeel te geven is. Dat zegt niets over de waarde ervan; religie of aandacht zijn daarom niet minder of meer waard dan zaken waarover wel een waarheidsoordeel te geven is. Het keurt wel de aanspraak op waarheid af van een uitspraak af over deze zaken: dat is misleiding.

2) Een uitspraak die zich onttrekt aan een beoordeling in termen van waarheid is daarom nog niet per se irratoneel.

Een tweede misvatting is om uitspraken irrationeel te noemen (zie Russel) op gebieden die zich onttrekken aan beoordeling door de wetenschap en geen aanspraak kunnen maken op waar; dat geldt evenzeer voor de daarop gefundeerde besluiten. Rationeel kan alleen betekenen: met inzet van onze rede. Zo kan een mens beter af zijn om uit te gaan van het bestaan van God, ook al is dit niet te bewijzen, dan het confronteren van een wereld zonder God. Als dat zo is, dan is zijn besluit rationeel, ook als dit het gevolg is van indoctrinatie. In dat laatste geval behoort de optie “God bestaat niet” niet tot de mogelijke voor dit individu beschikbare alternatieven. Dat is de reden waarom onderwijs ondemocratisch is als het kinderen de optie “God bestaat niet”, en de wetenschappelijke bevindingen over b.v. evolutie, onthoudt. De kwalificatie ‘irrationeel’ is alleen te geven als men alle aspecten, motivatie, beschikbare informatie en uitvoerbare alternatieven voor dit individu kent, en dat is ten heden dage niet mogelijk. Een uitgebreidere behandeling van dit vraagstuk is te vinden op mijn website onder “The rational application of Rational Choice Theory”. In de hoge  status van waarheid ligt de oorzaak van de creatie van zulk een tweede wereld of ‘magisterium’, en levert het motief daarvoor. In het geval van De Rijk is dat de legitieme wens om menselijke behoefden die thans in de sociale besluitvorming worden genegeerd weer tot hun recht te laten komen; alleen schiet hij op de verkeerde schijf, een misser die hierboven is rechtgezet. Ook religie kan een legitieme functie hebben, namelijk om te voorzien in de geestelijke nood die het gevolg is van onze rede en kennis, namelijk het bewustzijn van onze vergankelijkheid en de behoefde om aan ons leven zin te geven. De aanspraak op waarheid is voor het vervullen van deze functie niet essentieel, aangezien het niet-bestaan van God niet te bewijzen is. Het meest  effectieve antwoord op het geloof in God is een levensbeschouwing die de hierboven genoemde  functie kan vervullen en in harmonie is met wat de wetenschap ons thans over het leven kan vertellen. Dat is mogelijk mits voldoende mensen zich daarvoor willen inzetten. Het motief voor religieuze leiders om toch aanspraak te maken op waarheid voor hun leer is puur imperialisme en wordt misbruikt als rechtvaardiging van het daarbij ingezette geweld. Thans is dit bij ons voornamelijk mentaal geweld via indoctrinatie in de opvoeding, via demagogie in de politiek en in veel contreien ook nog via fysiek geweld. Bij al deze zaken al deze zaken wordt wel degelijk de rede ingezet, zij zijn dus redelijk. Zij laten wel een waardeoordeel toe. Afhankelijk van de beoordelaar is dat oordeel een door het doel geheiligd middel of – voor de democraat – een aanslag op het democratisch beginsel en de daarvan afgeleiden recht en moraal.

3) Rede en religie versterken elkaar niet.

Dat zij elkaar wel versterken is de titel van een recensie in de NRC van David Sorkin’s boek: The Religious Enlightenment”, en ik ga ervan uit dat Arthur Weststeijn’s  samenvatting van diens werk correct is. In feite gaat Sorkin’s boek niet over de rede, maar over de Verlichting, en met name het feit dat “veel 18de eeuwse verlichters overtuigde gelovigen waren die er geen enkele moeite mee hadden om vanuit religieus standpunt de loftrompet te steken over wetenschap, rationaliteit, tolerantie en individuele vrijheid”. Zij “… verkondigden de boodschap dat de goddelijke openbaring niet in strijd is met de rede, maar dat geloof en rationaliteit elkaar verstreken in de bevordering van kennis, vooruitgang en verdraagzaamheid”.  Volgens anderen, Sorking noemt Jonathan Israel en Spinoza, “is het juist een seculiere, antikerkelijke tendens die in de 17de en achttiende eeuw de kern vormt van de Verlichting en daarmee van de moderniteit.”  Sorkin benadrukt “dat het verlichte gedachtengoed in essentie een poging behelsde om de religieuze diversiteit voorlief te nemen en in goede banen te leiden, als alternatief voor de verwoestende godsdienstoorlogen en geloofsonderdrukking van de eeuwen daarvoor.”  Sorkin zegt niet dat religie noodzakelijk is in de moderne wereld, maar “brengt de moed op om te beseffen dat de moderne wereld noodzakelijkerwijs deels religieus van aard is.” Dat verklaart de ondertitel van de recensie: “Over de Verlichting als middel om religieuze tegenstellingen te overbruggen.”

De titel wordt er niet door verklaard, en de geldigheid van de constatering dat de moderne wereld religieus van aard is hangt af van de betekenis die wij geven aan “noodzakelijkerwijs”. Als het betekend dat er nu eenmaal religieuze mensen zijn en dat zij daarop recht hebben, dan is dit correct, maar zegt niets over de redelijkheid ervan. Als het betekend dat het redelijk is om religieus te zijn, dan geldt het alleen op het niveau van het individu, zeker voor die religies die verder gaan dan het geloven in een God en die ook een opvatting over zijn wil en handelen, bv. het ontstaan van de wereld e.d.,  bevatten. Zij komen in aanvaring met de rede wanneer zij een algemene geldigheid daarvoor opeisen en als zedenmeester optreden, en dat doen zij. Hiermee worden zij onverenigbaar met de Verlichting, en het is hiertegen dat ook Kant zich verzet, en zeker Voltaire en Hume. De strijd tussen religie en verlichting gaat niet over inhoud, maar over de autoriteit. De Verlichting legt deze in wereldlijke zaken bij het menselijk individu, de religie bij haar ‘geopenbaarde’ bronnen en de interpretaties die haar dienaren daaraan geven. In het stuk van Weststein is nergens een vermelding te vinden van het feit dat de Verlichting nauw verbonden is met democratie, en dat zij onverenigbaar met enige aanspraak op een status aparte voor religie die deze opeist. Lamourette’s poging tijdens de Franse revolutie om het onverzoenlijke te verzoenen door het voorstel van een christen-democratie heeft hij dan ook met de dood moeten boeten en betekende het onvermijdelijke einde van de ‘religieuze Verlichting’. De Verlichting is alleen een middel om religieuze tegenstelling te overbruggen doordat zij deze tot een zaak van het individu heeft verklaard, net zo als zijn smaak. De strijd gaat tussen democratie en theocratie, niet tussen rede en religie. Het gaat over de aanspraak op waarheid van wetenschap en religie, zoals in een eerder hoofdstuk uitgelegd. En waar de waarheid in het geding is maakt de rede alleen aanspraak op haar geldigheid waar het over het verband tussen feiten gaat. Wanneer een uitspraak voldoet aan de regels der rede is deze alleen waar als de feiten waartussen verbanden worden gelegd waar zijn. Over het bestaan van God kan zij geen uitspraak doen. Zij kan wel een oordeel vellen over de pretentie van religies om ons wat over God te kunnen vertellen. Dit oordeel is niet alleen dat zulke uitspraken geen aanspraak op waarheid kunnen maken, maar dat alles wat wij weten over religies leidt tot de conclusie dat het meeste onwaar moet zijn omdat er veel verschillende opvattingen over God en zij wil in omloop zijn die elkaar tegenspreken, en een aantal daarvan zelfs door de rede als onjuist moet worden bestempeld, b.v. over het ontstaan van de wereld. De enigen die het kan weten is God zelf, en die hult zich in zwijgen, hij laat het ons zelf uitzoeken met de faculteiten die hij ons heeft gegeven, met name de rede. Godsdienst kan wel de rede ondermijnen, namelijk wanneer mensen vanaf hun geboorte worden geïndoctrineerd en zoveel mogelijk van andere meningen worden geïsoleerd. Zij kunnen dan hun eigen kritisch vermogen niet inzetten op deze gebieden, hun ontwikkeling als zelfstandig denkend mens wordt in de kiem gesmoord.

Sorkins werk illustreert wel dat religie een product is van de rede in de zin dat zij antwoord gaf op vragen die de rede opwierp over ons bestaan en waarin de wetenschap nog niet kon voorzien ten tijd van hun ontstaan, en waarvan sommigen zich ook thans nog open zijn, b.v. over de zin van het leven en het hiernamaals.

Concluderend: Zolang de religie geen aanspraak maakt op waarheid zouden religie en rede aanvullend kunnen werken. Elkaar versterken doen zij nooit. De rede heeft de religie bepaaldelijk niet versterkt, en religie heeft de rede alleen in een keurslijf willen persen.

4) Discussie in “Filosofie en Praktijk no. 3, jaargang 29, over “Philipse en de Illusie van het absolute gelijk”.

Onder deze titel opent Mathijs Peters de aanval op Philipse’s atheïsme. Peters wil aantonen dat religie wel degelijk verenigbaar is met de rede en de verlichting. Zij argumentatie voegt nauwelijks iets toe aan hetgeen hierboven al is gezegd. Philipse herhaalt dat zijn atheïsme logisch onvermijdelijk is, maar heeft zijn argumentatie in een vorm gegoten die wat afwijkt van zijn “Atheïstisch Manifest”. Peters wil aantonen dat Philipse “zijn standpunt en waarden tot neutraal en absoluut geldig wil bestempelen en daarmee niet in staat is om en redelijk en open debat te voeren” zoals dat door de verlichting wordt geëist. Het woord ‘waarden’ is eigenlijk misplaatst omdat het gaat over waarheid. De enige waarde die in hun discussie meespeelt is die van de rede zoals belichaamt in de regels van geldigheid van argumentaties die over waarheid gaan, met name de  logica (ingebouwd in ons verstand, zie Brouwer´s intuitionisme’). Daaraan kan het niet liggen, want beiden beroepen zich op deze regels. Evenmin aan de ‘waarden van de Verlichting’, belichaamt in het begrip democratie, want die worden door beiden onderschreven.

Philipse verdedigt zijn – zoals hij het noemt – “ universeel sterk disjunctief atheïsme” en het daarmee afwijzen van agnosticisme als volgt:
(1) De these dat een bepaalde god bestaat, valt ofwel (a) buiten het domein van de rede (d.w.z. van wetenschappelijke methoden en kritisch denken) ofwel (b) daarbinnen (de gelovige mag zelf kiezen, en de twee opties putten het domein uit).
(2) In het eerste geval (a) zal het niet lukken een betekenisvolle omschrijving van god te geven, zodat de bestaansthese betekenisloos is (semantisch atheïsme).
(3) In het tweede geval (b) is de bestaansthese naar alle waarschijnlijkheid onwaar.
(4) Dus volgt disjunctief atheïsme.

Commentaar:
(2) hangt af van de betekenis die wij aan rede en wetenschaplelijke methode geven. Als wij God omschrijven als een ‘iets’ dat de wereld heeft geschapen via de oerknal, dan moeten wij als redelijk aannemen dat de wetenschap nooit in staat zal zijn om een omschrijving te geven van wat er voordien was, waaronder de schepper, aangezien er per definitie geen dingen van voor de oerknal bestaan die wij kunnen bestuderen. De wetenschappelijk verantwoorde uitspraak is derhalve: niemand weet het, nu niet voor de voorzienbare toekomst ook niet.
(3) Klopt, maar gaat alleen op voor de bestaande religies. Over andere mogelijke godheden, b.v.  de hierboven aangevoerde ‘god’, is geen uitspraak in termen van waarschijnlijkheid mogelijk m(zie ook addendum 1).
(4) Niet helemaal correct. Het gaat duidelijk om een ‘exclusieve’ disjunctie: het is één of het ander, maar nooit allebei. Deze disjunctie laat de stelling “wij kunnen het niet bewijzen” of “het is niet bewezen” onverlet.

Een ander door hem gehanteerd argument is dat wanneer men alle argumenten voor het bestaan van God – zoals gedefinieerd door het traditioneel theïsme – als onwaarschijlijk heeft verworpen, men daarmee het bewijs van zijn niet bestaan heeft geleverd. Dat is niet het geval; het rechtvaardigt wel de positie van de atheïsten als een redelijke persoonlijke opvatting. Dat geldt al veel minder voor een anders-gespecificeerde god, bv. als schepper van het heelal. Er is daraan geen rechtvaardiging te ontlenen om de eveneens persoonlijke positie van de agnost te betwisten: ”ik weet het niet” en ook – zoals in mijn  geval – “ik hoef het niet te weten”, .

Conclusie: Het niet bestaan van een schepper is niet te bewijzen, maar zulk een bewijs is ook niet nodig zolang niemand bewijzen kan dat hij wel bestaat. Zelfs dan zegt de rede en wetenschap dat wij alleen kennis kunnen verkrijgen over de schepping waarin wij leven, en dat deze onze enige betrouwbare bron van kennis over de schepper. Al het andere is door bepaalde menselijke en derhalve feilbare individuen verteld of opgeschreven. De cocnclusie is dat de enige verdedigbare en niet imperialistische opstelling die is van de agnost.

Wie verder gaat, zoals Philipse, stelt zich bloot aan het verwijt van Peters dat zijn bewijs op een cirkelredenering berust en brengt dat schade toe aan wat werkelijk telt: de strijd tegen het imperialisme van totalitaire geloven en ideologieën. Ook Philipse’s atheïsme heeft totalitaire, demagogische trekken. Hij heeft het hem toegezonden bericht met bovengenoemde argumenten onbeantwoord gelaten en kon dat doen omdat het niet is gepubliceerd.

5) De zegeningen van geloof in de politiek.

Gelovigen zoals Rouwvoet hebben het democratische recht om zich ook in de politiek als christen op te stellen. Ten opzichte van de Islam heeft dit geloof het voordeel dat het naadloos in een democratie zou passen… als het zich zou beperken tot wat ik tijdens godsdienstles heb geleerd als zijnde uitspraken van Christus zelf. “Geef aan Caesar wat van Caesar is, en aan God wat van God is.” “Kijk niet naar de strohalm in anderman’s oog maar naar de balk in je eigen.” “Wie zonder zonden is gooie de eerste steen”,  “Heb uw naaste lief zoals u zelve”, de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan, “eerder kruipt een kameel door het oog van een naald dan dat een rijke in de hemel komt”, “Wie een klap op zijn wang krijgt biede de andere”, de weigering om zich door het zwaard te laten verdedigen. Niets over voorbehoedsmiddelen, homoseksualiteit, genetische manipulatie, over dogma’s  etc. Het eerste bovengenoemde citaat wijst expliciet op de scheiding tussen geloof en staat. Zijn hele leven en boodschap is dat geloof een zaak is tussen de gelovige en God. Dat was een aanslag op het gezag van de joodse religieuze autoriteiten en dat heeft hem het leven heeft gekost. “Aan de vruchten herkent men de boom”. De vruchten van de vermenging van geloof met politiek zijn voor allen te zien in onze geschiedenis. Het mag dan waar zijn dat de conflicten waar godsdienst in het geding lijkt, in werkelijkheid vaak gaan over wereldlijke zaken zoals land of grondstoffen. Feit is dat de religie zich bewust voor dit karretje heeft laten spannen  en als welkome bondgenoot is aanvaard door haar pretentie op geestelijke autoriteit in deze wereld. En feit is dat het religieuze karakter van deze conflicten het vrijwel onmogelijk maakt om een geweldloze oplossing ervan via onderhandelingen of arbitrage (door bv. de VN) te bereiken, terwijl zulk een oplossing – gegeven de kosten van een oorlog – niet alleen voor beide partijen, maar voor de hele wereld, het beste zou zijn. Gezien de gevolgen van de groei van de bevolking in ontwikkelingslanden is de hardnekkige tegenwerking door religieuze autoriteiten van anticonceptie middelen een misdaad tegen de mensheid van ongekende omvang. Of neem het onderwijs. In een democratie moet elke toekomstige burger beschikken over alle kennis en sociale vaardigheden die van belang kunnen zijn voor zijn functioneren in de latere maatschappij. Een belangrijk element daarvan is de kennis over wat het leven is, met name de theorie van de evolutie. Was deze ten tijden van Darwin nog in hoofdzaak een redelijke verklaring van onze biologische geschiedenis, de modernen moleculaire biologie bewijst dat de evolutie de motor van het leven is. Zij verklaart niet alleen hoe het is ontstaan, maar vooral hoe het altijd werkt, ook nu. Dat heeft gevolgen voor veel aspecten in wetenschap en met name filosofie. Omdat zij de best beschikbare kennis is over het leven en zijn ontstaan, moet de evolutie onderdeel zijn van elke schoolopleiding, zo men wil als de weg die God heeft gekozen voor de schepping van zijn wereld. Dat nog niet alles door de evolutie is verklaard vormt zoals gezegd geen argument tegen haar geldigheid.

printversie