Rawls’ weg tot Tinbergen

Door: Peter Pappenheim

Naar een algemeen aanvaarde grondslag voor een inkomens-verdelingsbeleid

Volgens Rawls moet het vraagstuk van de inkomensverdeling worden bezien vanuit het standpunt van de minst bevoordeelde klasse: alleen als het die tot voordeel strekt zijn inkomensverschillen rechtvaardig. Dit laat onverlet dat, wanneer het mogelijk is om een maximaal nationaal inkomen te bereiken bij een gelijke verdeling, dit de rechtvaardige verdeling is. De liberale Van Telderstichting heeft een rapport uitgebracht dat Rawls’ opvattingen als vertrekpunt heeft. Socialisten hebben zich tot nu toe gebaseerd op het rechtvaardigheidsbeginsel van Tinbergen. Om dus te weten te komen in hoeverre liberale en socialistische grondslagen voor het inkomensverdeling beleid van elkaar verschillen, moeten de criteria van Rawls en Tinbergen worden vergeleken. Een vergelijking waaruit blijkt dat die verschillen heel wat minder groot zijn dan de politieke praktijk doet verwachten.

In het begin der jaren zeventig heeft een aantallinkse economen, politici en ethici een samenhangende visie ontplooid over een ‘links’ inkomensbeleid. Ik heb toen een beschouwing gewijd aan de grondslagen waarop dit beleid was gebaseerd. I Nu de Van Telderstichting onder leiding van prof. Kuipers op papier heeft vastgesteld wat de liberale visie is op een beleid voor verdeling van inkomens en vermogens’, ligt het voor de hand om ook hieraan een artikel te wijden.

Ik wil hier geen uitputtende analyse geven van het rapport van de Van Telderstichting. Mij staan twee doelen voor ogen:

- enig begrip, gevoel kweken voor de liberale grondslag van rechtvaardigheid;

- aantonen dat deze grondslag ook voor ‘links’ aanvaardbaar zou moe ten zijn.

Het artikel beperkt zich dus geheel tot de grondslag, het rechtvaardigheidscriterium dat de basis vormt van een inkomensverdeling beleid. Waarom een heel artikel uitsluitend hieraan wijden? Ik ben van oordeel dat de hele discussie en de politieke besluitvorming op dit gebied beter zouden verlopen als men het eens zou zijn over deze grondslag.

Elke consensus die men in deze kan bereiken is een verbetering. Een bijdrage daaraan is des te belangrijker wanneer het een onderwerp betreft dat zich minder goed leent voor verwerking via ons democratisch proces. Dit proces is er een van geven en nemen, van onderhandelen: een politieke markt. Geloof en aanverwante zaken zoals rechtvaardigheid zijn voor een dernocratisch proces moeilijk te verteren brokken, zeker als deze zaken – zoals in het geval van de inkomensverdeling – verweven zijn met materiele belangen.

In het vervolg zal blijken dat een consensus over de rechtvaardigheidsgrondslag van de inkomensverdeling mijns inziens te bereiken moet zijn, omdat de grondslagen waar Kuipers c.s. van uitgaan zonder meer acceptabel moeten zijn voor al die linkse politici die een op gelijkheid gerichte politiek willen combineren met de eis van een democratische besluitvorming.

Voordat het liberale uitgangspunt ter sprake komt is het goed om in het kort de grondslag van de linkse visie te herhalen.

Linkse visie

Links stelt dat een inkomensverdeling slechts rechtvaardig is wanneer zij leidt tot gelijk welzijn voor iedereen. Verschillen in inkomen zijn aileen dan rechtvaardig wanneer zij dienen ter compensatie van objectief aantoonbare verschillen in inspanning of in behoeften, voortvloeiend uit bijvoorbeeld verschillen in arbeidstijd, werkomstandigheden, aantal kinderen, of ziekte. Nu staat het iedereen vrij om voor zichzelf uit te maken wat hij rechtvaardig vindt, maar wil men zo een opvatting gebruiken als richtlijn voor het beleid van een overheid in een democratische staat, dan zal men meer argumen ten moeten aandragen dan de eigen subjectieve voorkeur. Ik heb in het hiervoor aangehaalde artikel betoogd dat in geen der ‘linkse’ geschriften afdoende wordt aangetoond waarom rechtvaardigheid eist dat iedereen gelijk welzijn zou moeten hebben. Dit uitgangspunt steunt op een bepaalde morele opvatting. In zijn geschriften van 1973 en 1975 stelt Tinbergen dat dit gelijke welzijn een eis is die volgt uit de ‘fundamentele gelijkwaardigheid van alle mensen’, wat dit ook moge betekenen. In later werk wordt gewoon gesteld dat dit een subjectief waardeoordeel is. Roskam Abbing’ laat het een consequentie zijn van de christelijke leer. De vraag of deze opvatting wel wordt gedeeld door de meerderheid van ons yolk wordt nergens gesteld. Roskam Abbing laat zelfs blijken dat hij het belangrijker vindt dat een maatschappij rechtvaardig is dan dat zij democratisch is.

Liberale visie

Het bijzondere van de grondslag van de nieuw-liberale visie is dat zij juist als vertrekpunt, als basisvoorwaarde, een democratische bestuursvorm eist. In een democratie is het niet aan een groep moralisten of economen voorbehouden om uit te maken wat wel of niet rechtvaardig is. De wetten in een democratie dienen aan te sluiten bij de meest algemeen geldende opvatting van rechtvaardigheid. Alleen deze opvatting van democratie geeft een reële inhoud aan dit begrip. Zodra men accepteert dat men het yolk wetten en uitvoeringsprocedures mag opdringen die tegen zijn gevoel van rechtvaardigheid ingaan, is men geen democraat meer. Blijft de vraag: is de democratische bestuursvorm zo superieur dat ik deze als onvoorwaardelijk uitgangspunt moet nemen? De liberalen menen van wel, en met hen waarschijnlijk de meerderheid van ons yolk. Ik kan daarin volledig meegaan. Niet alleen ter wille van de vrijheid van het individu, de afwezigheid van de dictatuur. In ‘Vaaruitgang zonder blauwdruk” heb ik aannemelijk trachten te maken dat in een democratie ook de besluitvorming op den duur beter zal zijn dan bij andere bestuursvormen.

Prof. Kuipers c.s. trachten dus te bepalen wat de meest algemeen aanvaardbare opvatting zou zijn omtrent een rechtvaardige inkomensverdeling. Dat is alles. Maar niet weinig! Want hoe bepaalt men wat in onze democratie de meest algemeen aanvaardbare opvatting van rechtvaardigheid is? De mensen vragen? Dat zal niet veel opleveren: uit alle onderzoekingen op dit gebied blijkt dat de opvattingen der Nederlanders over de huidige inkomensverdeling sterk zijn gekleurd door de plaats die zij zelf innemen in deze inkomensverdeling. Wie onderaan staat vindt haar te ongelijk om rechtvaardig te zijn, wie bovenaan staat niet, Wie had eigenlijk anders verwacht? Een scheidsrechter dient onpartijdig te zijn. Bij het spel om de knikkers zijn alle Nederlanders zelf betrokken, en is het volk eigenlijk geen geschikte – namelijk onpartijdige – scheidsrechter.

Rawls heeft met dit probleem geworsteld, en meent er een oplossing voor gevonden te hebben, een oplossing die door de Van Telderstichting is overgenomen als grondslag voor het door haar voorgestane inkomensbeleid.’

Theorie van Rawls

Rawls onderscheidt twee gevallen, naar gelang of een ieder voldoende inkomen heeft om in zijn eerste levensbehoeften, zijn biologisch minimum, te voorzien of niet. In Nederland hoeft niemand van kou of honger om te komen, kan een ieder medische behandeling krijgen. Wij zullen dus alleen Rawls’ theorie behandelen voor het geval dat voor een ieder het bestaansminimum is gegarandeerd.

In een democratische staat berusten recht en rechtvaardigheid op billijkheid, onpartijdigheid, ‘fairness’. Het heeft dus weinig zin om mens en die partij zijn bij de verdeling van de welvaart te vragen over hun mening daarover.

Maar misschien zouden wij kunnen bepalen wat hun opvatting zou zijn als zij wel onpartijdig waren! Rawls stelt dat dit inderdaad mogelijk is onder een aantal veronderstellingen over de motivering van de mensen.

Veranderstellingen

De belangrijkste veronderstellingen zijn dat wij rechtvaardig vinden dat de mensen hun eigen belang nastreven, en dat jaloezie niet wordt aanvaard als motief om tot een uitspraak te komen. ‘Omdat dat voor mij de meeste welvaart zal opleveren’ is acceptabel als motief, maar wij verwerpen ‘omdat ik het een ander niet gun’. Waarschijnlijk zullen weinig mensen bezwaar hebben regen het uitschakelen van jaloezie als motief om een bepaalde inkomensverdeling te rechtvaardigen. In de praktijk bestaat jaloezie natuurlijk wei, en kan op een bepaald ogenblik tot een stemgedrag leiden dat wij in een democratie zullen moeten accepteren. Maar dat is wat anders dan het aanvaarden van jaloezie als basis voor een rechtvaardigheidsbegrip.

Is welbegrepen eigenbelang dan wei een aanvaardbaar motief? Ja, mits men goed begrijpt in welke omstandigheden Rawls tot zijn conclusies komt. Rawls stelt niet dat diegenen die in wetten vastleggen wat rechtvaardig is, zich daarbij mogen laten lei den door hun eigen belang. Hij stelt alleen dat zij moeten accepteren dat het nastreven van eigenbelang – binnen de door de wet gestelde grenzen – een legitieme en aanvaardbare motivering van menselijk gedrag is, waarmee de wetgever rekening dient te houden. Jaloezie daarentegen is geen legitieme en sociaal aanvaardbare motivering.

Fictieve uitgangssituatie

Hoe komen wij er nu achter hoe de mensen over rechtvaardigheid zouden den ken als zij onpartijdig waren? Rawls heeft daar een mooie true op gevonden: een zuiver fictieve uitgangssituatie met als hoofdkenmerken dat de mens en geen enkel vermoeden hebben hoe hun eigen situatie zal zijn in een maatschappij wiens wetten zij aan het creëren zijn. Zij kunnen niet partijdig zijn omdat zij nog niet weten tot welke partij zij gaan behoren. Zij moeten dus oordelen over een rechtvaardige inkomensverdeling, zonder te weten wat hun inkomen zal zijn.

Zij kennen wel de wetten der economie, zij weten hoe een maatschappij functioneert, maar zij kennen niet hun eigen, individuele sterke en zwakke punten.

In deze uitgangssituatie in een democratische staat heeft iedereen dezelfde rechten en telt zijn stem even zwaar als die van anderen. Als wij kunnen bepalen – op grond van algemeen aanvaardbare redeneringen – wat de Nederlanders op basis van deze uitgangspositie zouden kiezen als rechtvaardige inkomensverdeling, dan is hiermee het probleem opgelost. Is dat mogelijk? Tot op zekere hoogte wel, althans in de theorie van Rawls.

Een hypothetische tussenstap: de hoogte van het nationale inkomen is onafhankelijk van zijn verdeling.

Laten wij om te beginnen veronderstellen dat de grootte van het totale inkomen van de Natie geheel onafhankelijk is van de verdeling van dat inkomen. Dan kan de een alleen meer inkomen hebben dan het gemiddelde wanneer een ander minder krijgt. Wat zal men dan een rechtvaardige inkomensverdeling vinden?

Rawls stelt dat men dan zal kiezen voor gelijk inkomen voor een ieder. Hij stelt dat er bij een ongelijke verdeling in de praktijk altijd meer mensen zijn met een lager inkomen dan met een hoger. Aangezien in de uitgangssituatie niemand weet waar hij met zijn inkomen terecht zal komen, is voor een ieder bij zo een verdeling de kans om bij de minnen te zitten groter dan bij de plussen. Daarom zal hij een gelijke inkomensverdeling prefereren boven een ongelijke verdeling waarin hij een grotere kans maakt op een lager dan hoger inkomen. De motivatie is mijns inziens niet geheei waterdicht. De reden dat er zoveel mens en onder het gemiddelde liggen qua inkomen, is dat zij maar een klein beetje eronder liggen, terwijl de minderheid die boven het gemiddelde uitkomt, daar veel verder boven uitkomt, Dus tegenover een grote kans op iets minder staat een kleine kans op veel meer. Rawls’ motivering houdt dus in feite de uitspraak in dat men grote zekerheid op iets meer prefereert boven een kleine kans op veel meer, een uitspraak die niet bewezen wordt. Rawls stelt: mens en mijden zoveel mogelijk elk risico. Of dat reëel is, is een open vraag.

Recent onderzoek van Van Praag C.S. levert echter ook een fundering van Rawls’ conclusie. Het blijkt nameiijk dat naarmate het inkomen stijgt, het nut dat men hecht aan een gulden minder wordt. Met andere woorden, een gulden is meer waard voor iemand met een inkomen van f 30 000, -, dan voor iemand met een inkomen van f 60 000, -.

Negen kansen op tien op een gulden minder, wegen dus zwaarder dan een kans op tien op negen gulden meer, omdat die negen gulden meer niet even veel waarde hebben als negen keer een gulden minder. Ook mens en die neutraal staan tegenover het risico zullen daarom de zekerheid van een gemiddeld inkomen de voorkeur geyen boven een grote kans op iets minder plus een kleine kans op veel meer. Alleen de echte gokkers zullen Rawls’ uitgangspunt niet delen.

Wanneer het totale inkomen van de hele bevolking onafhankelijk is van de verdeling van dit inkom en, zal men dus een gelijke verdeling van inkomen rechtvaardig vinden.

De reele situatie: de inkomensverdeling beïnvloedt het Nationale Inkomen.

Alle gangbare economische theorieën zijn het er over eens dat inkomensverschillen een economische nuttige functie kunnen vervullen, en inderdaad ook doen. Niet alle soorten verschillen maar bepaalde soorten wei. Er bestaat geen meningsverschil tussen socialisten en liberalen over inkomensverschillen die bewezen geen economische functie hebben: deze dienen te verdwijnen. Kunnen wij – uitgaande van Rawls’ model – iets zeggen over wat de Nederlander in de theoretische uitgangssituatie (hij kent zijn eigen situatie niet) een rechtvaardige verdeiing van het inkomen zal vinden als de totale koek groter wordt en wanneer het inkom en ongelijk is verdeeid? Rawls – en met hem Kuipers C.S. – menen van weI.

Het primaat van de democratie stelt dat wij een oplossing moeten zoeken waar alle klassen zich in beginsel mee kunnen verenigen, althans in de – hypothetische – uitgangssituatie. Als men vooraf ongelijkheid in inkomen accepteert, accepteert men vooraf dat er een klasse met de laagste inkomens zal zijn. Niemand weet of hij zelf wei of niet in deze klasse zal vallen. Hij moet dus met deze mogelijkheid rekening houden, en men moet dus kiezen voor een oplossing die ook achteraf aanvaardbaar zal blijven als men in die klasse gaat vallen. Als men met Rawls accepteert dat de mensen het risico mijden, of met Van Praag c.s. dat het verlies van een gulden minder groot is dan her nut van een gulden meer, dan zullen de mensen trachten, de minst gunstige situatie zo goed mogelijk te doen uitvallen. Althans in de meeste gevallen.

Men zal dus die inkomensverdeling als meest rechtvaardige (in het Engels ‘just’) accepteren die tot het hoogste inkomen leidt voor de minst bedeelden. Rawls’ conclusie is slechts aannemelijk, niet bewezen Rawls’ conclusie heeft alleen algemene geldigheid indien men veronderstelt dat mensen extreem risicomijdend zijn, en onder alle omstandigheden zullen kiezen voor een situatie waarbij de laagste inkomenstrekkers het zo goed mogelijk hebben. Stel dat er een situatie bestaat die voor de allerarmsten net iets minder gunstig is dan de voor hen optimale situatie, maar die voor alle andere groepen veel en veel meer oplevert. In de uitgangssituatie van Rawls betekent dit dat men moet kiezen tussen een beperkte kans op een beetje meer voor de allerarmsten en een behoorlijke kans op veel meer voor alle anderen. Om dan te kiezen voor een beetje meer voor de allerarmsten op grond van de overweging dat men zelf daartoe zou kunnen behoren, en het laten varen van een grote kans op veel meer als dat niet zo is, veronderstelt een vrijwel pathologische angst voor risico’s bij de bevolking die onwaarschijnlijk aandoet. Anderzijds lijkt mij zo een situatie in een ontwikkeld industrieland net zo onwaarschijnlijk. Toch moet worden erkend dat dit een zwakke schakel is in Rawls’ betoog, en dat Rawls’ beginsel dan ook hooguit aannemelijk wordt gemaakt, en niet bewezen.

Steun voor Rawls’ beginsel.

Mijns inziens is er nog een andere redenering die pleit voor Rawls’ beginsel. Als namelijk de burgers van Rawls’ democratie uit hun hypothetische uitgangspunt belanden in de reele rnaatschappij, dan moet in een democratie een ieder de maatschappijvorm aanvaarden die hem in zijn concrete situatie heeft gebracht. Voor de minst welvarenden is dit alleen te verwachten indien zij beseffen dat zij in andere maatschappijvormen nog minder zouden hebben gehad.

Diegenen daarentegen die meer hebben zijn weliswaar bevoorrecht, maar mogelijk minder dan in andere maatschappijvormen. Zij zullen de huidige vorm dan toch accepteren in het besef dat dit de enige democratische vorm is die niet zal worden ondergraven door de minst bedeelden, en die dus hun bevoorrechte positie een betrouwbare en legitieme basis geeft. Ook dit is geen ‘bewijs’, maar wel een steun voor Rawls’ beginsel. Ook hier weer blijkt het democratische karakter van Rawls’ beginsel.

De Van Telderstichting zelf schrijft: “Zonder maar ook in de verste verte te willen beweren dat met de theorie van Rawls het laatste woord over de ethiek van de inkomensverdeling is gesproken, menen de samenstellers van dit geschrift nochtans dat de Rawlsiaanse contracttheorie een zinvol vertrekpunt vormt voor de uit te voeren analyse”’

Rawls stelt dus als oplossing dat men het hele vraagstuk van de inkomensverdeling moet bezien vanuit het standpunt van de minst bevoordeelde klasse: inkomensverschillen zijn rechtvaardig voor zover dit tot voordeel strekt van diegenen met het laagste inkomen. Als men alle denkbare inkomensverdelingen op een rijtje zet, dan moet men diegene kiezen die het maximale voordeel oplevert voor de arms ten. De Van Telderstichting is het hiermee eens.

Wie zou zich een meer sociaal voelende grondslag kunnen voorstellen? Wie zou daartegen bezwaren kunnen hebben? En wat is nu het wezenlijke verschil met de linkse grondslag?

In wezen niet zoveel. Ook Rawls stelt dat iemand die toevallig een aangeboren talent heeft, daaruit geen aanspraak kan ontlenen om meer te verdienen dan iemand die het niet heeft …. tenzij daar een goede reden voor is, en de enige acceptabele reden is dat de minst bedeelden beter worden van deze differentiatie in inkomen. De basis voor acceptatie van deze reden is te vinden in het uitschakelen van jaloezie.

Tinbergen stelt:

1) Een rechtvaardige verdeling is een gelijke verdeling.

2) Naast rechtvaardigheid op gebied van verdeling moeten wij ook zorgen dat er wat te verdienen valt, dus wij moeten zorgen voor economische efficiency, wij moeten streven naar een optimale verdeling, zijnde de verdeling waarin de totale welvaart maximaal is. Als wij nu een optimale en een rechtvaardige verdeling tegelijk konden bereiken, dan was dit een ideale situatie. Hieruit blijkt dus zonneklaar dat Rawls’ en Tinbergens einddoel, hun ideale situatie, identiek is.

Maar helaas is zo een ideale situatie nog zeer ver van ons vandaan. Intussen moeten wij toch een beleid voeren.

Tinbergen zegt dan: wij moeten een rechtvaardige verdeling nastreven voor zover ons streven naar een optimale verdeling dat toelaat, Rawls stelt: wat optimaal is moeten wij bezien vanuit het gezichtspunt van de minst bedeelden, want dan is de verdeling rechtvaardig, althans zo rechtvaardig als dit onder de huidige omstandigheden mogelijk is.

Nu rijst de vraag: waarom zou Tinbergen Rawls’ criterium verwerpen in een situatie waarin hij optimaal tegen rechtvaardig moet afwegen? Ik kan daar maar twee redenen voor vinden:

- Tinbergen wil een meer gelijkmatige verdeling dan Rawls;

- hij wil juist meer het accent op economische efficiency.

In beide gevallen zijn de minst bedeelden slechter af. In het eerste ter wille van een abstract begrip van rechtvaardigheid dat zij waarschijnlijk niet eens kennen, laat staan onderschrijven. Dat is niet acceptabel in een democratische maatschappij. Het tweede geval bevoordeeld het inkomen van diegenen die toch al meer hebben, hetgeen in strijd is met de hele sfeer, mentaliteit en streven naar gelijkheid dat ‘links’ eigen is.

Als democratisch ‘links’ derhalve het criterium van Rawls zou accepteren als grondslag voor een inkomenspolitiek, hebben zij hiermee hun eigen grondslag alleen aangevuld zonder er werkelijk iets van prijs te geven. Rawls’ uitgangspunten, met name zijn eerste beginsel, lijken mij wel het destijds door Tinbergen voorgestelde instrument af te wijzen, namelijk een belasting op talent ongeacht het bereikte inkomen. Ik heb in mijn artikel van 1977 over het linkse inkomensbeleid  al bezwaren tegen dit instrument aangevoerd, en in meer recent werk heeft ook Tinbergen deze belasting laten varen als niet binnen afzienbare tijd realiseerbaar.

Kritiek op Rawls

De belangrijkste reden voor Pen en Tinbergen om Rawls’ criterium te verwerpen is dat het vager is dan hun eigen criterium van ‘gelijk welzijn’.  Dit is echter schijn. Tinbergens criterium is er een van slechts formele rechtvaardigheid. Daarom kan het zo exact zijn. Deze exactheid gaat ten koste van zijn toepasbaarheid. Het houdt geen rekening met de billijkheid van een mogelijke toepassing in een concrete situatie, een eis die al sinds Aristoteles deel uitmaakt van het begrip rechtvaardigheid. Zo zou directe toepassing van Tinbergens criterium kunnen leiden tot een maatschappij waar een ieder hetzelfde welzijn heeft, maar dit welzijn slechts de helft is van het welzijn van diegenen die in onze huidige maatschappij tot de 10% minst bedeelden behoren. Deze toepassing wordt door Tinbergen afgewezen als inefficiënt, maar zij is niet alleen inefficiënt, doch ook onbillijk, en daarom onrechtvaardig, zeker zolang deze keuze niet uitdrukkelijk door de minst bedeelden is gemaakt. Rawls wil juist wel rekening houden met billijkheid in de toepassing, ‘fairness’. Ik wil niet zeggen dat hij daarin werkelijk is geslaagd.

Volgens deskundigen op dit gebied is het geheel onmogelijk om rechtvaardigheidsregels te stellen die voor elk geval van toepassing zijn, zeker in een zo complex, gevarieerd en dynamisch systeem als de huidige mensenmaatschappij. Zoals meestal bij zaken betreffende recht en rechtvaardigheid, kan men de interpretatie van deze regels door een geaccrediteerde autoriteit niet missen, zoals bijv. het parlement. Ik wil alleen stellen dat Rawls’ criterium identiek is aan dat van Tinbergen in die gevallen waar Tinbergens criterium op een billijke wijze kan worden toegepast. Waar zo een billijke toepassing van Tinbergens criterium niet mogelijk is, geeft Rawls ons een rechtvaardigheidscriterium dat geheel conform is aan de geest van Tinbergen.

Rawls’ criterium laat veel ruimte over aan de interpretatie van zijn regel. Bv., wie zijn de minst bedeelden? Of: is een bepaalde maatregel op het gebied van inkomensverdeling wel zo gunstig voor deze minst bedeelden? Deze ruimte is zoals gezegd het gevolg van het zoeken naar een criterium dat ook in zijn toepassing rechtvaardig is. Minstens evenveel ruimte ontstaat zodra men Tinbergens rechtvaardige verdeling wil combineren met zijn optimale verdeling, hetgeen bij elke praktische toepassing is vereist.

Ook kan de ruimte voor beleid die het beginsel toestaat, op een onjuiste wijze worden vergroot door het verkeerd leggen van de bewijslast. De huidige stand der wetenschap laat niet toe om binnen nauwe marges te bewijzen hoe de welvaart reageert op de inkomensverdeling. Dan wordt het van doorslaggevend belang waar men de bewijslast legt. Wanneer twee mensen inkomensverdelingen voorstaan die verschillen in de mate van gelijkheid, wie moet dan bewijzen dat zijn verdeling voldoet aan het criterium van rechtvaardigheid, diegene die de meer gelijke of de meer ongelijke verdeling verdedigt? Welnu, de bewijslast rust altijd bij de voorstander van de meer ongelijke verdeling!

Tinbergen stelt: gelijk welzijn is rechtvaardig en moet worden nagestreefd tenzij men kan aantonen dat de optimale verdeling verschillen eist.

Rawls stelt: gelijke inkomensverdeling is rechtvaardig en moet worden nagestreefd, tenzij men kan aantonen dat een andere verdeling gunstiger is voor het inkomen der laagste inkomenstrekkers, en dus rechtvaardiger is. Dat Rawls de bewijslast legt zoals ik het net heb voorgesteld is niet onmiddellijk af te lezen uit zijn twee net genoemde beginselen. Met name het eerste deel van het tweede beginsel zegt niets over de bewijslast. Rawls heeft zich echter elders heel duidelijk daarover uitgesproken.

Hij stelt dat zijn beide beginselen een nadere uitwerking zijn van een algemeen beginsel, dat luidt:

“Alle sociale waarden - vrijheid, kansen, inkomen, vermogen en de basis voor zelfrespect - moeten gelijk worden verdeeld, tenzij een ongelijke verdeling tot voordeel strekt voor een ieder.”

Dat liegt er niet om. Wat betreft de doelstelling, de richting waarnaar Rawls streeft, is er dus geen reden voor links om Rawls’ criterium af te wijzen als grondslag voor een inkomensbeleid.

Nu is er wel wat aan te merken op het werk van Rawls, en dat heeft bijv. Pen met veel verve gedaan.’ Rawls mag dan wel een aardig idee hebben gehad, maar hij heeft het zeer slecht uitgewerkt. Hij was geen rigoureus denker, en wars van de exactheid die de wiskundige discipline aankweekt en die het werk van Tinbergen zo siert. Deze slechte uitwerking mag echter geen reden zijn om een op zich acceptabel beginsel te verwerpen en aldus het kind met het badwater weg te gooien.

Verzet tegen consensus

Ook al is Rawls’ criterium slechts het naar ‘billijke toepassing’ uitgebreide criterium van Tinbergen, toch lijkt het er niet op dat P.v.d.A. en V.V.D. bereid zijn om deze combina tie als grondslag voor hun inkomensbeleid te aanvaarden.

In het geschrift van de Van Telderstichting wordt Tinbergens opvatting van rechtvaardigheid totaal afgewezen, in eerste instantie omdat zij niet individualistisch zou zijn. Het is mij volstrekt onduideiijk waar het verschil op dit gebied ligt tussen Tinbergen en Rawls. In het geschrift kan ik geen uitleg daarover vinden.

Ik ben daarin in goed gezelschap, want ook Van den Doei8 meent dat het criterium van Tinbergen en van Rawls even individualistisch zijn. Het lijkt er meer op dat men een de V.V.D. goed in de hand liggende stok heeft gezocht om de hond te slaan.

Helaas, ook Van den Doel kan her niet over zijn hart krijgen om een criterium van de tegenpartij te aanvaarden. De grote overeenkomst tussen beide uitgangspunten heeft hij wel gezien. Toch zal en moet hij Rawls’ criterium afwijzen ten gunste van Tinbergen. Daartoe sleept hij – bij de haren – economen uit de zogenaamde ‘institutionele’ school erbij. In tal van onderzoekin-

gen hebben deze aangetoond dat wanneer mensen hun eigen inkomen beoordelen, zij daartoe niet het absolute niveau van hun welvaart gebruiken, maar hun positie ten opzichte van mensen uit hun naaste omgeving, en verder hun eigen inkomen uit het verleden. Van den Doel concludeert: “als dit waar is dan zijn de individuen in de hypothetische toestand van onwetendheid meer geïnteresseerd in de door Tinbergen aanbevolen nivellering van de behoeftebevrediging, dan in een Rawlsiaans maximin criterium dat of precies dezelfde uitkomst oplevert, of de laagst betaalden een relatieve achterstand oplevert die steeds groter en steeds uitzichtlozer wordt.”

Afkeer van de V. V.D. doet de anders zo secure Van den Doel twee keer uitglijden. De bevindingen van de ‘institutionele’ school tonen alleen aan dat de mensen niet in zichzelf een maatstaf hebben voor het beoordelen van hun eigen inkomen. Als men geen ingebouwde beoordelingsmaatstaf heeft dan moet men wel naar buiten kijken om zijn eigen inkom en te beoordelen, dus naar het inkomen van anderen, maar ook naar het eigen inkomen in het verleden!

Het feit dat men een enkel inkomen afzonderlijk slechts kan beoordelen met als referentie andere inkomens, houdt nog helemaal niet in dat men een grotere inkomensgelijkheid zou prefereren boven meer eigen inkomen in Rawls’ uitgangssituatie van onwetendheid. De situatie waarin men moet kiezen tussen een reeks van verschillende alternatieven is volstrekt anders dan een situatie waarin men zijn eigen toestand moet beoordelen.

Tevens houdt Rawls’ criterium op geen enkele wijze in dat het “de laagst betaalden een achterstand oplevert die steeds groter en uitzichtlozer wordt”. Integendeel. Consequente toepassing van Rawls’ criterium zal waarschijnlijk tot steeds verdergaande nivellering leiden. Waar de economische efficiency zich niet verzet tegen herverdeling van inkomen ten gunste van de laagst betaalden, eist Rawls’ criterium immers dat men dit doet. Dit gaat door zolang het verlies aan economische efficiency voor de laagst betaalden minder nadelig is dan de winst die zij verkrijgen uit herverdeling. Van den Doel veronderstelt kennelijk een sterk positieve correlatie tussen stijging van het nationale inkomen en inkomensongelijkheid. De ontwikkelingen van de laatste honderd jaar doen eerder vermoeden dat er een soort ‘optimale’ inkomensongelijkheid is waarbij het nationale inkomen maximaal stijgt en verder dat deze optimale inkomensongelijkheid afneemt naarmate het niveau van het nationale inkomen hoger is. In alle westerse democratieën is de stijging van het totale inkomen gepaard gegaan met een vermindering van de inkomensongelijkheid.

Rawls en de V. V.D.

Rest de vraag hoe het mogelijk is dat het wetenschappelijk bureau van de V.V.D. een visie uitgeeft op een inkomensbeleid die is gebaseerd op een uitgangspunt dat zoveel gemeen heeft met dat van de P.v.d.A. Naar een antwoord kan ik slechts gissen. Misschien wei omdat dit beginsel een grote mate van ‘aanvaardbaarheid’ heeft, althans vergeleken bij andere beginselen. In elk geval is Rawls’ visie consistent met het uitgangspunt van individuele vrijheid en verantwoordelijkheid dat ten grondslag ligt aan het liberalisme, wanneer men deze vrijheid niet beperkt tot economisch handelen, maar ook ander handelen, bijv. op het gebied van de politick, daarin betrekt. Immers, de liberale vrijheidsidealen in ruime zin zijn alleen te realiseren in een democratie, en een democratie is op den duur alleen levensvatbaar als de grote meerderheid der inkomenstrekkers – die minder dan het gemiddelde inkomen verdienen – een maatschappelijke organisatie aanvaardt die tot zo een verdeling leidt.

Deze overweging brengt ons dan tot Rawls’ criterium. Door deze egalitaire grondslag op het gebied van de inkomensverdeling vergroot men de aanvaardbaarheid van ons stelsel van vrije ondernemingsgewijze productie. Politiek is dit een poging om het beslag dat de V. V.D. tracht te leggen op het midden, naar links uit te

breiden.

Rest de al door Tinbergen in de N.R. C. gestelde vraag: ‘zal de achterban van de V. V.D. het geschrift van de Van Telderstichting als uitgangspunt willen aanvaarden voor haar beleid?’

Wat de concrete uitwerking door Kuipers c.s. betreft lijkt mij dat inderdaad mogelijk. Er staan weinig voorstellen in die onverenigbaar zijn met het V. V. D. -programma, of met concrete maatregelen die de partij in de Kamer verdedigt.

Hoe is dit te rijmen met de grondslag die, zoals ik heb aangetoond, minstens even egalitair is als die van Tinbergen c.s.?

Behalve door de al genoemde ruimte die het criterium laat aan de toepassing, wordt dit ook mogelijk gemaakt door de wijze waarop Kuipers c.s. Rawls’ criterium toepassen ten aanzien van de bewijslast.

Betreffende het verkrijgen van vermogen door vererving of schenking stellen Kuipers c. s. bijvoorbeeld: ‘een verhoging van successie- en schenkingsrechten is slechts dan acceptabel, indien hierdoor de inkomens- en vermogenspositie van de laagste inkomenstrekkers zou worden verbeterd. ‘

De juiste formulering volgens Rawls zou moeten zijn: ‘een verhoging van successie- en schenkingsrechten is geboden tenzij door invoering daarvan de inkomenspositie van de laagste inkomenstrekkers zou worden verslechterd. Dat scheelt nogal. Er is weinig reden om aan te nemen dat enige verhoging van de thans nog lage successierechten een merkbare verslechtering van de economische toestand tot gevolg zou hebben, zeker als zo een verhoging gepaard gaat met maatregelen om de gevolgen voor de bedrijfsvoering (met name bij kleinere zelfstandigen) op te vangen. Toepassen van Rawls’ criterium zal dus tot voorzichtige, genuanceerde en progressieve verhoging van successierechten leiden. Trouwens, de regering heeft zojuist Rawlsiaans en Tinbergiaans gehandeld door een voorstel in te dienen dat op zo een verhoging van successierechten is gericht. Ook al zal de V. V. D. het geschrift van de Van Telderstichting accepteren en zou de P. v.d.A. Rawls’ criterium voor een rechtvaardige inkomensverdeling overnemen als aanvullende basis voor haar beleid, dan nog blijven er voor de profilering van de partijen voldoende geschilpunten over betreffende de uitvoering van dit beleid. Deze zijn dan echter herleidbaar tot verschillen in belangen en daarop is een democratie ingericht. Terwijl gebrek aan consensus over de fundamentele doelen van een land het functioneren van een democratie ondermijnt.

Wie betrokken is bij discussies over inkomensverdeling politiek zal, denk ik, beamen dat de vruchtbaarheid van deze discussies zou worden verhoogd wanneer de deelnemers zich zouden baseren op een gemeenschappelijk aanvaarde rechtvaardigheidsgrondslag voor een inkomensverdeling beleid.

Drs. P. Pappenheim (1926) studeerde economie, kwantitatieve richting. Hij is werkzaam bij Hunter Douglas als hoofd van de afdeling Marketing Information. Hij publiceert regelmatig over inkomensbeleid en is namens de RMHP en is lid van de SER-commissie ‘Wetgeving Inkomensvorming ‘.

Noten

P. Papperheim, Het ‘Iinkse’ inkomensbeleid, in: lntermediair, 13 mei 1977.

Van T elderstichring, fen Iiberale visit op de verdeling van inkomem en vermogens, 1979.

J. Pen en ] . Tinbergen, Naar een rechrvaardige inkomensverdeling, in: Elsevier, 1977.

J. Roskam Abbing, Ethiek der inkomensverdeling, Kluwer, Devenrer, 1973.

P. Pappenheim, Vooruitgang zonder biAuwdruk, Sociaal evolutionisme als model voor een democratische en organise he ontwikkeling van de maatschappij, Futile, 1980.

Rawls, A theory of justice, Bellmap press of Harvard University. 1973.

J. Pen, Rechtsfilosofie op losse schroeven, in: Vrijheid en Recht. opstellen aangeboden aan E. H. ’s Jacob, Tjeenk Willink, Zwolle, 1975.

8, J, v.d. Doel, arrikelen in de N,R,C. van 14 en l S februari 1980,