Het linkse inkomensbeleid

Door: Peter Pappenheim


Menigeen verkeert in de veronderstelling dat het inkomensverdelingbeleid van de regering Den Uyl onder meer gericht is op het armer maken van de rijken en rijker maken van de armen. Echter  beroept de regering zich bij dit beleid op ethische en economische grondslagen die als zodanig nauwelijks onderwerp zijn van openbare discussie. In hoeverre zijn die grondslagen solide? Dit artikel onderwerpt de  rondslagen aan een analyse vanuit de ethica, logica en economie en toetst deze aan de realiteit zoals die o.a. verankerd ligt in de mentaliteit van de mensen. Het stuk is bedoeld om een openbare gedachten wisseling over de grondslagen van het inkomensbeleid een stimulans te geven. De auteur – onze lezers bekend van zijn jaarlijkse artikel ‘Wat is uw salarisverhoging werkelijk waard?’ schreef dit artikel naar aanleiding van zijn werk in de S.E.R. Commissie Inkomensbeleid, waarin hij – namens de Raad van Middelbaar en Hoger personeel – zitting had.

Grondslagen

Vraagt u de man in de straat wat volgens hem de  achtergronden zijn van het inkomensverdelingbeleid van Den Uyl en zijn ploeg, dan is er alle kans dat hij u — naar gelang zijn politieke richting — zal antwoorden: “De rijken hebben nu lang genoeg de gewone man uitgebuit, daar wil de regering wat aan doen”. Of hij zal zeggen: “Een politiek van inkomensnivellering levert meer stemmen op, want de hogere inkomens zijn in de minderheid, en de regering heeft de steun van de vakbonden nodig, en die eisen ook nivellering”. Toch stoelt het inkomensverdelingbeleid van de regering volgens haar zeggen niet op zulke opportunistische of ‘antirijke’ gronden, maar baseert zij haar beleid op drie expliciet gestelde en wetenschappelijk gefundeerde grondslagen. Zij streeft op langere termijn een inkomensverdeling na die ethisch juist, rechtvaardig en optimaal is, en op kortere termijn naar een ‘aanvaardbare’ inkomensverdeling.

- Ethisch juist: in overeenstemming met algemeen aanvaarde opvattingen over wat goed en kwaad is.
- Rechtvaardig: in overeenstemming met beginselen van gelijkheid die ten grondslag liggen aan onze democratische  maatschappij, en met algemeen heersende opvattingen over rechtvaardigheid.
- Optimaal: leidend tot een zo groot mogelijke som van het totale welzijn van alle individuen.
- Aanvaardbaar: Slechts daar afwijkend van een rechtvaardige inkomensverdeling waar dit t.b.v. de economische doelmatigheid noodzakelijk is (tussenoplossing).

Aan elk van deze vier begrippen zijn een of meer bekende namen verbonden.
- Ethische inkomensverdeling: Roscam Abbing.
- Rechtvaardige inkomensverdeling: een rij P.v.d. A. politici, o.a. De Galan.
- Optimale inkomensverdeling: Tinbergen.
- Aanvaardbare   inkomensverdeling: Albeda-De Galan.

In de inleidingvan haar interim-nota ‘Inkomensbeleid’ van mei 1975 refereert de regering o.a. ook aan deze namen. Ik meen dat het mogelijk is de essentie van deze grondslagen van het linkse inkomensverdelingbeleid op een vrij eenvoudige wijze te beschrijven zonder daarbij wezenlijke elementen te vertekenen of weg te laten, en hoop dat het vervolg mij hiermede steunt. In elk geval moet iemand deze taak op zich nemen ten behoeve van een democratische besluitvorm.

Het inkomensverdelingbeleid is in wezen het belangrijkste onderdeel van de politiek van de huidige regering, en de opvattingen hierover, die zij vertolkt, zullen zonder twijfel ook voor een volgende regering een belangrijk probleemgebied v vormen, wat ook haar signatuur moge zijn. Helaas zijn de grondslagen van dit ‘linkse’ inkomensverdelingbeleid alleen toegankelijk voor wie zich door een aantal vrij moeilijke boeken heen wil werken. Een reële meningsvorming over de grondslagen van het inkomensverdelingbeleid in een wat bredere kring is daarom nog niet mogelijk gebleken. Dit is een ernstige tekortkoming in een zich democratisch noemende staat, een tekortkoming waarin dit geschrift wil tegemoet komen. Aangezien de nota van de regering het vrijwel uitsluitend over het inkomen uit arbeid heeft, zullen ook wij ons hiertoe beperken. Met name ook omdat inkomen uit bezit al lang onderwerp van discussie is tussen marxisten en liberalen, en men de standpunten hierover als bekend en uitgekauwd mag zien. Tevens vormt inkomen uit arbeid tegenwoordig ruim 90% van het totale inkomen. In de politieke discussie komen grondslagen van het inkomensbeleid der progressieven weinig ter sprake. Het gaat meestal over de uitwerking ervan in concrete maatregelen. Met name van de kant van de tegenstanders van het inkomensbeleid van de huidige regering worden in hoofdzaak de concrete maatregelen betwist, terwijl men de fundamenten vrijwel onaangetast laat.

Men wijst er bv. op dat bij de huidige stand van de wetenschap en technologie, en bij de huidige maatschappelijke orde, de progressieve inkomenspolitiek niet uitvoerbaar is. Dit is een zwak argument, en eigenlijk alleen een aansporing om wetenschap en technologie te stimuleren, en wat te doen aan de maatschappelijke orde. Althans indien men de grondslagen en doelstelling van dit inkomensbeleid onderschrijft. Een blik om u heen bewijst dat de mens vrijwel alles kan bereiken wat hij ook werkelijk wil. Men geeft een zo fundamentele zaak als een rechtvaardige inkomensverdeling niet op, alleen omdat de middelen om haar te bereiken nog niet doeltreffend zijn. Wil de maatschappij zich niet ontwikkelen in een geheel ongewenste richting, dan moet men het eens zijn over de richting waar men wel naar toe wil, en dient een discussie over de grondslagen van een inkomensbeleid vooraf te gaan aan het uitvoeren van dit beleid.

Doelstelling

De grondslag voor een beleid zie ik als de uiteindelijke doelstelling die men met dit beleid nastreeft op een bepaald gebied, in dit geval de inkomens verdeling, en de stappen die hebben geleid tot deze doelstelling. Men begint met een uitgangspunt dat als gegeven wordt beschouwd, meestal van ethische aard, met name in dit geval de fundamentele gelijkwaardigheid van alle mensen. Via logica wordt afgeleid wat dit uitgangspunt betekent voor het betrokken gebied. In samenhang met gegevens over de werkelijke situatie en andere beleidsdoelstellingen wordt dan een doelstelling voor het betrokken gebied geformuleerd. Dit geheel noem ik de grondslag van een beleid. Men kan zo’n grondslag niet aantasten door er op te wijzen dat er nog geen middelen zijn om het doel te realiseren; zoals hierboven gezegd zou de enige consequentie van zulk een verwijt zijn dat men dan maar deze middelen moet ontwikkelen.

Discussie

Discussie over de grondslag van een beleid dient zich te richten op de volgende drie punten: Is het uitgangspunt wel het juiste? In de meeste gevallen is dit een zaak van individuele wereldbeschouwing, een zaak van geloof, die zich aan eendiscussie onttrekt. Wel mag in een democratische staat worden geëist dat dit uitgangspunt algemeen wordt aanvaard. Daarom worden de uitgangspunten hier niet betwist, maar wel expliciet gesteld teneinde een democratische besluitvorming te bevorderen.
1) Volgt de doelstelling logisch uit het uitgangspunt? Dit is de persoonlijke bijdrage van dit geschrift: er wordt aangetoond dat dit niet zo is bij het huidige inkomensbeleid.
2)Zijn er conflicten tussen de doelstellingen van het inkomensverdelingbeleid met gegevens over de werkelijke situatie, en met andere beleidsdoelstellingen? Conflict met gegevens over de werkelijke situatie betekent dat de afleiding van de doelstellingen uit de uitgangspunten stoelt op stellingen omtrent de werkelijkheid die niet juist zijn. Zo is m.i. de stelling van Tinbergen dat de technologische vooruitgang onafhankelijk is van het inkomensverdelingbeleid aanvechtbaar. Conflict met andere doelstellingen ziet men waar Roscam Abbing van een maatschappij eist dat zij democratisch is maar ook dat zij aan de mensen een niveau van ethisch gedrag oplegt dat veel hoger is dan de daadwerkelijke ethica van de mensen zelf. De vraag hoe en wanneer een eenmaal aanvaard doel van het inkomensbeleid te realiseren is, valt uitdrukkelijk buiten dit kader. Ik heb getracht deze zaak zo duidelijk en eenvoudig mogelijk te stellen

Twee hoofdveronderstellingen:

/) De ethische instelling van alle mensen is ideaal. Dat houdt voor ons onderwerp in, dat iedereen bereid is met volle toewijding ten dienste van de gemeenschap te arbeiden, voor zover de gemeenschap dat behoeft, dat niemand streeft naar een hogere beloning dan hem rechtvaardigheidshalve toekomt, dat niemand de een boven de ander, in of buiten de arbeid,  bevoordeelt, laat staan benadeelt.

2) De ordening van het maatschappelijke leven is ideaal. Dat brengt met zich mee, dat ieder volledige gelegenheid heeft tot keuze van het meest bij hem passende beroep, dat er volledige werkgelegenheid is, dat er een beloningssysteem is dat dit  praktisch weet te realiseren en dat theoretisch rechtvaardig is, dat er voor allen een gelijke mogelijkheid is zijn geld te besteden overeenkomstig eigen wensen, dat de economische orde ook overigens volmaakt doeltreffend is’.

Uitgaande van deze twee axioma’s en twee hoofdveronderstellingen concludeert R.A. t.o.v. de ethisch juiste inkomensverdeling als volgt (pag. 50): ‘Idealiter — zuiver ethisch gezien, afgezien van een gebrekkige instelling van de mensen en een gebrekkige organisatie van de maatschappij — mogen alleen verschillen in arbeidsinspanning (inclusief eventuele opleidingsinspanning) bezwarende werkomstandigheden en bepaalde behoeften (inclusief bezwarende levensomstandigheden) verschillen in beloning oproepen’. Deze toegestane en vereiste verschillen in beloning noemt men ‘compenserende’ verschillen. Wij zullen ze nog vaker tegenkomen. Het zijn dus verschillen in inkomen die een compensatie dienen te zijn voor extra offers die iemand zich moet getroosten om zijn inkomen te verwerven, en objectieve extra behoeften die hij heeft i.v.m. zijn levensomstandigheden, in hoofdzaak door ziekte of invaliditeit, aantal kinderen e.d. Deze enkele paragrafen bevatten zowat de gehele uitleg van R.A. over een ethisch juiste inkomensverdeling. In wezen maakt de conclusie, namelijk dat de inkomensverdeling zodanig moet zijn dat iedereen een gelijk welzijn heeft, deel uit van de veronderstelling: namelijk dat de ethiek een mens eist die leeft voor de samenleving, en in volledige harmonie met zijn medemensen, dus zonder strijd.

Ik wil er even op wijzen dat ‘antropologisch’ bij R.A. niet betekent: steunend op de huidige stand van kennis van de antropologische wetenschap. Antropologisch betekent hier niets anders dan ‘mensbeeld’. Het is R.A.’s zienswijze van wat de mens in wezen is, voornamelijk gebaseerd op een religieus/filosofische wereldbeschouwing. Dit mensbeeld is een mengeling van een christelijke wereldbeschouwing en van een aantal antropologische conclusies. Het is geheel anders dan het mensbeeld dat men verkrijgt wanneer mende mens ziet als de meest recente ontwikkeling van de evolutie op deze wereld, dus wanneer men tracht de mens te begrijpen vanuit zijn ontstaan, zover als dit mogelijk is op basis van de huidige stand van de biologie en antropologie. In de rest van het deel gewijd aan de ethisch juiste inkomensverdeling in een ideale maatschappij wordt de consequentie van bovengeciteerde uitgangspunten besproken voor diverse inkomensbestanddelen en behoeften. Ondermeer wordt gesteld dat verschillen in prestatie niet mogen leiden tot verschil in beloning, behalve voor zover nodig om extra offers te compenseren die nodig waren om dit verschil in prestatie te bereiken, geheel conform bovengenoemd citaat van pagina 50..

Primaat van de ethiek.

Deel 3 behandelt de inkomensverdeling in een reële situatie, waarin dus de ethische instelling van de mensen en de orde van de gemeenschap gebrekkig zijn.

De overgang van de weinig controversiële, maar ook weinig operationele ethisch juiste inkomensverdeling bij ideale instelling van individu en overheid, naar de ethisch juiste inkomensverdeling in een meer reële situatie vinden wij in het hoofdstuk ‘Communisme en Liberalisme’, en meer speciaal in de paragraaf ‘Primaat van het ethische criterium’. De beoordeling van wat de beste, meest verantwoorde maatschappij is, moet volgens R.A. worden bepaald door het ethische niveau van haar uitgangspunten. Op basis van dit primaat van het ethische criterium geeft R.A. de voorkeur aan de uitgangspunten van een communistische maatschappij. Alleen de realisatie van deze uitgangspunten in de vandaag de dag bekende communistische maatschappijen is zo gebrekkig dat R.A. deze afwijst. Deze gebrekkige realisatie vloeit voort uit het feit dat de werkelijke ethische instelling van de mensen niet in overeenstemming is met de ethische uitgangspunten van het communisme. Op basis van ditzelfde primaat van het ethische criterium wordt de conclusie getrokken dat de ethisch meest juiste inkomensverdeling, zoals die volgt uit ethisch ideale instelling van alle mensen, ook de ethisch juiste inkomensverdeling is waarnaar men moet streven als de instelling van de mensen niet ideaal is. Althans, dat maak ik uit de tekst op, want expliciet wordt deze overgang nergens gesteld, laat staan gerechtvaardigd. En dit is nu juist de kern van de hele zaak!

Ongeoorloofde Transformatie

R.A. veronderstelt dus dat een bepaalde voorkeursorde die geldt in een ideale situatie (ethische instelling van alle mensen ideaal) ook de voorkeursorde zou zijn in een geheel andere situatie (ethische instelling van de mensen is gebrekkig). Dit is een ongeoorloofde ‘transformatie’, om een woord uit de wiskunde te gebruiken. Hier ligt trouwens een paradox: wil een maatschappelijke orde de kwalificatie ‘ethisch verantwoord’ krijgen, dan moet deze orde volgens R.A. zowel democratisch als rechtvaardig zijn. Maar hoe kan een democratische orde zaken nastreven die een veel hogere ethische instelling eisen dan de de facto instelling van haar burgers? M.i. is een belijdenis van een abstract ethisch uitgangspunt geen basis voor een oordeel over de ethiek van een concrete maatschappelijke orde. Men mag een doelstelling niet los zien van die middelen die – gegeven een bepaalde uitgangspositie – noodzakelijk zijn om dit doel te bereiken. Het feit dat het communisme uitgaat van het primaat van de gemeenschap, van voorrang van rechtvaardigheid boven welvaart, van actief en vormend ingrijpen in de orde i.p.v. achteraf correcties van misstanden is nog geen bewijs dat de werkelijk daaruit voortkomende maatschappelijke orde vanuit ethisch standpunt gezien te prefereren is boven een modern-liberale. Het kan namelijk best zo zijn, dat gegeven de ethisch gebrekkige instelling van de mensen, de invoering van een communistische maatschappij inherent bepaalde middelen eist, o.m. een niet te beheersen, de vrijheid en persoonlijke verantwoordelijkheid verstikkende bureaucratie, waardoor de daaruit resulterende maatschappelijke orde ook van ethisch standpunt bezien de mindere is van een verlicht liberale. Wil men uitspraak doen over de ethisch meest juiste maatschappelijke orde en de ethisch juiste inkomensverdeling, dat moet men een concrete situatie als uitgangpunt nemen. ‘De weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens.’ Deze merkwaardige overschatting van het etiket t.o.v. de inhoud blijkt ook uit het feit dat R.A.’s voorkeur voor een communistische maatschappij volgt uit zijn stelling dat iemand in overheidsdienst werkt voor de gemeenschap, terwijl bv. een winkelier werkt voor zijn eigen belang en het werk van de ambtenaar dus een hogere ethische waardering toekomt. R.A.’s ervaring met ambtenaren, met name in socialistische landen, moet wel zeer beperkt zijn! Samenvattend: zolang nog niemand heeft aangetoond dat de inkomensverdeling, die volgt uit een ethisch ideale instelling van alle mensen, ook de ethisch juiste inkomensverdeling is in een maatschappij waarin de ethische instelling van de mensen niet ideaal is, kan zij niet gelden als een aanvaardbare grondslag voor een inkomensbeleid.

Rechtvaardige inkomensverdeling

De regering baseert haar inkomenspolitiek verder op het begrip ‘rechtvaardige inkomensverdeling’ zoals dit is gesteld door o.a. Tinbergen, de Vakcentrales, Roscam Abbing, Albeda en De Galan. Uitgangspunt is de ‘fundamentele gelijkwaardigheid van alle mensen’. Niet gelijkheid. Erkend wordt dat mensen verschillend zijn in allerlei eigenschappen. Maar de gemeenschap dient aan allen dezelfde waarde toe te kennen, analoog aan de eis die een modern democratisch land aan de rechterlijke macht stelt: voor de wet is iedereen gelijk. Als de gemeenschap aan iedereen dezelfde waarde toekent, volgt daaruit dat iedereen ook aanspraak kan maken op gelijk welzijn, voor zover het in de macht van de gemeenschap ligt dit te bereiken. Het overgrote deel van de zaken die voor het welzijn van een individu van belang zijn, en waarover de gemeenschap controle heeft, zijn in geld uit te drukken. Daarom dient eenieder hetzelfde inkomen te hebben, tenzij er aanwijsbare verschillen zijn in welzijnsfactoren tussen hem en het gemiddelde van andere individuen. Dan moet hij ter compensatie een afwijkend inkomen hebben om het algemene niveau van welzijn te bereiken. Deze verschillen noemt men compenserende inkomensverschillen. In de sfeer van het primaire inkomen zijn dit verschillen in inspanning of andere offers waarmee de inkomenswerving gepaard gaat: arbeidsduur, ongunstige werkuren, onaangename omstandigheden (stank, lawaai, vuil), relatief grote lichamelijke of geestelijke inspanning, lengte van het productieve leven en – tot op zekere hoogte – verantwoordelijkheid en risico-aanvaarding. In de sfeer van secundaire en tertiaire inkomensverdeling zijn dit aanwijsbare verschillen in behoefte, voornamelijk gezinssamenstelling en gezondheid. De vakcentrales in hun boek ‘Gelijk en meer gelijk’ verwoorden dit uitgangspunt als volgt: ‘Bij mensen die in groepen samenleven, is het veelal gebruikelijk, dat iedereen naar vermogen een bijdrage levert aan de werkzaamheden, die nodig zijn om het voortbestaan van de groep te waarborgen. In de grote familiehuishoudens, waarin vroeger meerdere generaties bloed- en aanverwanten samenwoonden, was dat duidelijker dan nu. Maar ook in de tegenwoordige kleinere gezinnen ziet men hoe kinderen van jongs af aan voor hen geschikte taken leren vervullen. Tegenover de bijdragen van de afzonderlijke groepsleden staat dan de verantwoordelijkheid, die de groep aanvaard om in  het onderhoud van zijn leden te voorzien.’ Betrokken op de gehele samenleving betekent dit uitgangspunt dat eenieder de plicht heeft zijn talenten en vaardigheden ter beschikking van de samenleving te stellen, waarna die samenleving hem op dezelfde voet als anderen zal laten meedelen in het gezamenlijk bereikte resultaat. Of men veel of weinig aan dat gezamenlijk resultaat kan bijdragen is bij de verdeling niet van belang: niemand kan meer doen dan zijn best.

Kritiek

Volgt uit ‘fundamentele gelijkwaardigheid van allen’ inderdaad noodzakelijkerwijze de conclusie dat iedereen dan ook aanspraak kan maken op gelijk welzijn? Het antwoord is nee. ‘Gelijkwaardigheid’ is net zoals vrijheid en gelijkheid een ’soort-begrip’, een algemeenheid zonder inhoud. Men moet haar met een concrete zaak verbinden, wil men het begrip op een concrete situatie toepassen, b.v. ‘Gelijkheid voor de wet’. Net zoals bij vrijheid betekent kiezen voor een concrete soort gelijkwaardigheid vaak dat gelijkwaardigheid op een ander gebied geweld wordt aangedaan. Met name is de consequentie van het aanvaarden van ‘fundamentele gelijkwaardigheid’ afhankelijk van de kijk die men heeft op de verhouding gemeenschap — individu en wat tot een individu behoort.

Bij dit laatste beginnend; voor de inkomensverdeling is van belang het antwoord op de vraag: in hoeverre behoort de vrucht van zijn arbeid aan het individu? Is het oeuvre van Picasso een onderdeel van het begrip ‘individu Picasso’ ja of nee? Een individu leeft in de maatschappij in twee hoedanigheden: als consument en als producent. Als consument onttrekt het individu goederen en diensten aan de maatschappij, als producent levert hij productieve prestaties. Gelijkwaardigheid als consument eist het door Tinbergen c.s. gestelde gelijke welzijn. Gelijkwaardigheid als producent eist dat voor eenzelfde prestatie eenzelfde beloning wordt gegeven ongeacht of deze prestatie wordt bereikt door, inspanning, of door aangeboren talent. Gelijkwaardigheid als consument is het extreme socialistische  rechtvaardigheidsideaal. Gelijkwaardigheid als producent is het extreme liberale rechtvaardigheidsideaal. Aangezien het zo is dat individuen die dezelfde offers voor hun inkomen brengen en hetzelfde objectieve behoefteniveau hebben, zeer wel sterk uiteenlopende prestaties kunnen leveren, is de ene soort rechtvaardigheid strijdig met de andere.

Ten tweede gaat bovengenoemde interpretatie van de fundamentele gelijkwaardigheid uit van een wereldbeeld waarin individu en gemeenschap als twee geheel verschillende zaken worden gezien: aan de ene kant het producerende en consumerende individu, aan de andere kant een ‘iets’ dat al deze producten verzamelt en dan weer aan de individuen uitdeelt.

Men kan de gemeenschap ook zien als een netwerk van intermenselijke relaties, dat geen zelfstandige eenheid is, maar de consequentie van de wijze waarop de individuen deze relaties opbouwen. Dit lijkt mij reeler dan het beeld van de gemeenschap als een soort patriarch die de verhoudingen in de familie regelt. Het individu kan consumeren wat hij van andere individuen los kan peuteren, meestal in ruil voor eigen productie. Het gezamenlijke nutsbesef van de individuen kan wel leiden tot gemeenschapsinstellingen die t.o.v. de  individuen dwang uit kunnen oefenen, maar deze instellingen zijn alweer de belichaming van een samenvallen van individuele behoeften, die niet zonder zulke gemeenschapsinstellingen bereikt kunnen worden, b.v. het leger en belastingheffing t.b.v. dit leger. Ook sociale voorzieningen vallen hieronder. Het ethische niveau van de gemeenschap volgt dan uit het ethische niveau der individuen, met name van de leiders. De fundamentele gelijkwaardigheid van alle mensen is trouwens wel degelijk een reel uitgangspunt.

Het is echter geen vanzelfsprekende zaak. Een ‘verkrampte’ Zuid-Afrikaan denkt daar bv. anders over. En ook in vele landen van de derde wereld wordt of werd deze fundamentele gelijkwaardigheid ontkend: men denke aan het kastensysteem in India, en aan de verdeling van veel Afrikaanse landen in een heersend en een slavenras. Alleen het vertalen van deze gelijkwaardigheid in een bepaald inkomensbeleid is hier ter discussie gesteld. De fundamentele gelijkwaardigheid wordt geaccepteerd als een zinvolle basis voor een democratische gemeenschap. De vraag die gesteld dient te worden is of deze fundamentele gelijkwaardigheid noodzakelijkerwijze leidt tot het opleggen van gelijk welzijn aan iedereen. Ik heb hierboven gesteld dat dit niet zo is. Tussen accepteren van het uitgangspunt van gelijkwaardigheid en het bepalen van de daaruit volgende inkomensverdeling ligt nog een keuze die wij moeten maken, o.m. of wij het aspect consument absolute voorrang verlenen of niet, en zo niet, hoe wij dan de relatie van consument tot producent zien. Iedereen die over inkomensbeleid wil meepraten moet deze keuze maken. Een fictief voorbeeld zal u duidelijk maken wat deze keuze inhoudt.

Stel twee ambachtslieden maken stoelen. Zij werken beiden acht uur per dag, en in die tijd maaktde ene twee stoelen, en de andere drie. Beiden hebben dezelfde opleiding, zijn ongeveer even intelligent, even oud, gezond, getrouwd en hebben twee kleine kinderen. Alleen, de een is gewoon handiger. Wij moeten nu kiezen uit de volgende mogelijkheden:

1) Zij krijgen allebei evenveel per stoel. Diegene die per dag drie stoelen maakt krijgt dus per dag 50% meer dan de ander. Dit is het liberale standpunt.
2) Zij krijgen iedere evenveel per dag. Dit betekent dat diegene die drie stoelen maakt, per stoel een derde minder krijgt dan diegene die twee stoelen maakt. Dit is het socialistische uitgangspunt.
3) Of wij gaan er ergens tussenin zitten, doordat wij wel beiden evenveel geven per stoel, maar via de secundaire inkomensverdeling (bv. een progressieve inkomstenbelasting) een deel van dat hogere inkomen van de ‘drie stoelen man’ overhevelen naar diegene die er maar twee maakt. Hoe groot deze nivellering moet zijn hangt van een aantal overwegingen af waar wij op dit ogenblik niet op in willen gaan. Dit derde alternatief komt overeen met de opvattingen die aan ons huidige stelsel ten gronde liggen.

U kunt uw standpunt t.o.v. een rechtvaardige inkomensverdeling bepalen en kenbaar maken door: Ten eerste aan te geven welke van de drie alternatieven u het meest aanspreekt. Ten tweede, voor het geval u kiest voor het derde alternatief, door te bepalen welk deel van de hogere inkomsten van de ‘drie stoelen man’ u wilt wegbelasten.

Aanvaardbare inkomensverdeling

De regering gebruikt het woord ‘aanvaardbaar’ helaas op een wat onzorgvuldige wijze: de ene keer in de zin van rechtvaardig, zoals in ons vorige hoofdstuk door ons gedefinieerd, de andere keer in de zin zoals hier gebruikt. Voor een definitie van een ‘aanvaardbare’ inkomensverdeling kan men terecht bij het boek van Albeda-De Galan: ‘Inkomen: vorming, verdeling, beleid’. Uitgangspunt is weer dat eenieder een gelijk welzijn dient te hebben, en dat alleen die inkomensverschillen gewenst zijn die tot doel hebben dit gelijke welzijn te bereiken (compenserende inkomens verschillen).

Het beleid van een overheid omvat echter meer taken dan alleen het zorgen voor een rechtvaardige inkomensverdeling. Met name is het eveneens haar taak om er voor te bevorderen dat het inkomen dat te verdelen is zo hoog mogelijk is. Streven naar een rechtvaardige inkomensverdeling kan in conflict komen met het streven naar een zo hoog mogelijk welzijn voor iedereen. Dat kan leiden tot het accepteren van inkomensverschillen anders dan de compenserende verschillen, indien deze verschillen een positieve invloed hebben op het algemene welzijn. Aanvaardbare inkomensverschillen zijn dus – naast de gewenste compenserende verschillen – die inkomensverschillen die een functie hebben, d.w.z. dat hun bestaan noodzakelijk is voor het economisch proces. Dus inkomensverschillen die ervoor zorgen dat de arbeid daar komt waar zij voor de gemeenschap het meeste nut afwerpt. Verschillen die de mensen stimuleren tot activiteiten zoals studie, overwerk, sparen, investeren, ondernemen e.d., die door de gemeenschap gewenst zijn.

Hoe kan men nu bepalen dat een soort inkomensverschillen al dan niet aanvaardbaar is? Wel, dat volgt in de praktijk uit het algemene beleid dat een overheid denkt te moeten voeren. De theorie kan er echter ook wat over zeggen, met name zoals deze is gevat in het begrip ‘optimale inkomensverdeling’ van Tinbergen, en die in het volgende hoofdstuk zal worden behandeld. Misschien valt het u op dat het begrip ‘aanvaardbare inkomensverschillen’ identiek is voor socialisten en liberalen. Aangezien inkomensverschillen op zich de neiging hebben om de algemene welvaart te drukken (zie volgende praragraaf) zullen ook liberalen alleen die inkomensverschillen aanvaardbaar achten die een economische functie hebben. Toch zijn ook hier diepgaande verschillen tussen socialisten en liberalen. Ten eerste aanvaarden de socialisten deze soort niet-compenserende verschillen alleen als noodverband, en eisen van de overheid een beleid dat de noodzaak van deze verschillen zoveel mogelijk doet verdwijnen.

Een tweede verschil tussen liberalen en socialisten ligt op het gebied van wat te doen met de onaanvaardbare inkomensverschillen, en nog meer met het exact vaststellen van welke inkomensverschillen wel, en welke geen economische functie hebben. Daarbij gaan de liberalen er van uit dat alle inkomensverschillen een economische functie hebben, tenzij kan worden aangetoond dat dit niet zo is. De socialisten draaien de bewijslast om en zeggen dat alle niet-compenserende inkomensverschillen onaanvaardbaar zijn, tenzij kan worden aangetoond dat zij wel een economische functie hebben. Gegeven de huidige stand van de economische wetenschap is de ruimte tot geschil die hierdoor wordt geschapen wel zeer groot. Het is wel zo dat die inkomensverschillen die de regering specifiek noemt als onaanvaardbaar, ook door de liberalen als zodanig worden gezien: traditie (zoals overwaardering van diploma’s), sociaal milieu, relatie en soortgelijke factoren. Socialisten en liberalen verschillen t.o.v. deze hoofdzakelijk betreffende de vraag van waar zit de bewijslast, en nog meer misschien in het belang dat men toekent aan het wegnemen daarvan door speciale maatregelen op het gebied van de inkomenspolitiek. De liberalen vinden direct ingrijpen in de inkomensverdeling een middel dat erger is dan de kwaal. Zij stellen dat bij een goed georganiseerde liberale economie zulke verschillen vanzelf verdwijnen, juist omdat zij economisch geen functie hebben. Voor de economisch geheel ongeschoolde kiezer wil ik nog op iets wijzen wat de anderen al duidelijk zal zijn. Zelfs indien men het eens zou worden over wat de basis van een aanvaardbare inkomensverdeling zou zijn, kan men daaruit nog geen concreet beleid afleiden. Het is namelijk nog nauwelijks mogelijk te bepalen welk deel van de inkomensverschillen economisch noodzakelijk zijn, en welk deel alleen volgt uit traditie, monopoliefactoren e.d. Het is gemakkelijk de waarde van een economische prestatie te vergelijken in het geval van de twee stoelenmakers. Maar hoe vergelijkt men een schoenmaker met een professor? Het woord ‘aanvaardbaar’ is eigenlijk niet echt het juiste woord, zeker wat betreft de socialistische visie, voor zulk een inkomensverdeling: deze inkomensverdeling is immers in hun ogen niet rechtvaardig, en dus op zich niet aanvaardbaar. Men wil haar slechts gedogen, ter wille van andere beleidsdoeleinden. Ik – en naar ik veronderstel ook Albeda en De Galan – zou dankbaar zijn voor een ander woord dan ‘aanvaardbaar’, maar ik heb geen woord kunnen vinden dat beter zou voldoen: ‘gedoogbaar’ is geen Nederlands.

De optimale inkomensverdeling

De eerste die bij mijn weten een coherente analyse heeft gegeven van de optimale inkomensverdeling, is prof. Tinbergen. Hij definieert haar als volgt: Een optimale inkomensverdeling is die inkomensverdeling die leidt tot een maximum van de som over alle individuen van het nut (of het welzijn) dat elk individu via dit inkomen bereikt. De inkomensverdeling beïnvloedt de hoogte van het totale welzijn van een gemeenschap op twee wijzen:

1) Studies, o.a. van Van Praag en Kapteyn, hebben aangetoond dat het marginale nut van het inkomen afneemt naarmate het inkomen hoger is. Dit is niets anders dan wat wij intuïtief zouden beamen, namelijk dat een gulden extra inkomen meer betekent voor iemand die van het minimumloon rond moet komen dan voor iemand die een ton verdient. Wij zullen nu eerst aannemen dat verandering in de inkomensverdeling geen effect zou hebben op het totaal van de geproduceerde goederen en diensten, m.a.w. dat de totale koek die te verdelen is een vast gegeven is. Uit bovengenoemde afnemende grens nut van het inkomen blijkt, dat een maximaal welzijn van de gemeenschap wordt bereikt wanneer iedereen een gelijk welzijn heeft, voorzover afhankelijk van het inkomen. Immers, zolang dit niet zo is, zal een gulden voor iemand met een lager welzijn meer waard zijn dan wat dezelfde gulden waard is voor iemand met een hoger welzijn; en men kan dus de som van het welzijn van deze twee verhogen door inkomen over te hevelen van de ‘rijkere’ naar de ‘armere’.

2) In feite heeft de inkomensverdeling wel invloed op de totale productie van goederen en diensten. Voor zover men zich beperkt tot inkomen uit arbeid, ziet prof. Tinbergen dit effect in hoofdzaak via het leiden van het aanwezige schaarse talent naar die aanwendingen waar dit talent het meeste nut afwerpt. Zolang de opbrengst van een extra te werk te stellen persoon van een bepaalde capaciteit hoger is dan het loon dat men moet betalen om zo iemand aan te trekken, zal men — door een hoger loon te bieden — zulks proberen. De beloning van dit soort arbeid zal dus veranderen, en wel zolang totdat de opbrengst van een extra te werk te stellen persoon in deze soort functie gelijk is aan het loon dat men daarvoor moet betalen. Hoe hoog dat loon zal zijn, hangt dus af van de waarde van de opbrengst van de laatste werknemer die men nog voor deze functie kan krijgen, i.e. van de schaarste van dit soort arbeid in verhouding tot de behoefte daaraan: het welbekende hoofdstuk vraag en aanbod . Op zeer korte termijn bezien is het aanbod van arbeid in een bepaald land een gegeven. Om een optimale aanwending van de beschikbare arbeid te bereiken, moeten er dus verschillen in  beloning zijn om alle arbeid naar de meest nuttige aanwending te dirigeren. Er is dus conflict tussen die inkomensverdeling die het maximale nut oplevert van een eenmaal gegeven totale welvaart, en de inkomensverdeling die zorgt voor een zo hoog mogelijke totale welvaart.

Nu is, op langere termijn gezien, het aanbod van diverse soorten arbeid niet een vast gegeven. Een bepaalde capaciteit om een functie te vervullen stoelt namelijk op twee facetten van een individu: aanleg en opleiding. Alleen de aanleg is een gegeven. Zolang het aantal individuen met aanleg voor een bepaalde functie groter is dan het aantal individuen met de vereiste opleiding, kan het aanbod toenemen doordat meer individuen met de vereiste aanleg de vereiste opleiding gaan volgen. En zolang het loon dat men in die functie kan verkrijgen hoger is dan de som van wat men elders zonder die opleiding kan krijgen plus de kosten (in geld en tijd) van deze opleiding, zullen mensen deze opleiding gaan volgen.

Hoe meer mensen met deze opleiding en capaciteit op de arbeidsmarkt komen, hoe lager het loon wordt (afnemende meeropbrengsten). Als er voldoende talent is, zal het loon dalen tot het gemiddelde loon plus de offers die men moet brengen voor de opleiding. In dat geval is de inkomensverdeling optimaal zowel via het effect van de nivellering van het grensnut van het inkomen als van allocatie van arbeid. Als aangeboren talent voor alle soorten functies overvloedig aanwezig zouden zijn, en als de opleidingsinstituten voldoende capaciteit zouden hebben om aan iedereen die opleiding te geven die hij wenst, dan zou ook het allocatie-effect van de inkomensverdeling leiden tot een gelijk nut voor iedereen van zijn inkomen, behalve wat betreft verschillen in behoefte (bijv. aantal kinderen), die dan via herverdeling tot hun recht zouden komen.

Impasse

In dat geval verkrijgt men een inkomensverdeling die overeenkomt met wat men in progressieve kringen ziet als een rechtvaardige inkomensverdeling, namelijk een zodanige dat er geen verschillen in primair inkomen zijn anders dan als compensatie voor verschillen in de offers die men zich moet getroosten om dit inkomen te verwerven. Twee vliegen in één klap: een optimale en een rechtvaardige inkomensverdeling! Het enige wat de overheid moet doen is ervoor te zorgen dat iedereen die een bepaalde opleiding wil volgen, daartoe de gelegenheid krijgt. En natuurlijk dat de markt voor arbeid goed functioneert. Twee zaken die in elk geval gewenst zijn, ook – of juist – als men een liberaal is die niet gelooft in het progressieve nivelleringscredo. Helaas, talent is niet in overvloed aanwezig. Ook als de arbeidsmarkt goed werkt, en iedereen die een opleiding kan en wil volgen, daartoe de gelegenheid krijgt, zal er dus verschil in beloning blijven als gevolg van schaarste van bepaalde talenten; althans indien men een zo hoog mogelijke totale hoeveelheid van goederen en diensten wil bereiken via een optimale allocatie van arbeid. Hoe moeten wij uit deze impasse komen? Als wij de inkomens nivelleren, krijgen wij het talent niet daar waar dit het meeste nut afwerpt. Als wij de verschillen in beloning laten bestaan, dan halen wij niet uit elke gulden het maximale gemeenschappelijke nut, en verkrijgen wij geen recht vaardige inkomensverdeling.

Antwoord

Prof. Tinbergen heeft er een antwoord op gevonden, althans in theorie. Hij zegt er direct bij dat de psychotechniek nog niet ver genoeg ontwikkeld is om deze oplossing nu al toe te passen. Wat is immers het probleem? Als iemand een talent heeft dat schaars is en men neemt hem alles weg wat hij daardoor meer gaat verdienen, dan gaat hij niet dat werk zoeken waar zijn talent het meeste nut afwerpt, maar hij gaat doen wat hij het leukst vindt. Dus, wat moeten wij doen? Wij moeten hem dwingen, dat werk te doen waar zijn talent het meeste nut afwerpt. Hoe? Dwangarbeid is in een democratisch land uit den boze. En meestal niet productief. Toch is dwang nodig. Welnu, men weet hoeveel iemand in de functie – die met dat talent te bereiken is – meer verdient dan een ander. Dus wordt iemand die het talent heeft dat voor deze functie vereist is, gewoon belast met dit verschil, ongeacht wat hij werkelijk verdient. Hij moet dan wel minimaal zulk een functie bereiken, wil hij niet in inkomen onder het gemiddelde terechtkomen. Als hij zich extra inspant, en meer gaat verdienen dan men op basis van zijn talent mocht verwachten, dan kan hij dat meerdere houden: extra inspanning wordt beloond, en dat mag ook, aangezien extra inspanning een extra offer is waar tegenover een compenserende inkomensverhoging mag staan. Tinbergen heeft zich niet verder uitgelaten over hoe deze belasting exact berekend zou moeten worden, maar theoretisch is de zaak nu weer rond: Gelijk nut van zijn inkomen voor iedereen en toch optimale allocatie van produktiemiddelen, dus optimale en rechtvaardige inkomensverdeling. Tot zover de theorie van prof. Tinbergen.

Kritiek

Tegen de theoretische grondslagen van prof. Tinbergen zijn twee grote bezwaren aan te voeren.

1) Prof. Tinbergen ziet het verband tussen productiviteit en inkomensverdeling alleen in de allocatie van arbeid. In zijn model wordt de zgn. ‘technische vooruitgang’ als een extern gegeven gezien. Het is echter denkbaar dat deze technische vooruitgang voor een belangrijk deel zijn oorsprong vindt juist in de mogelijkheid, om via vernieuwing e.d. extra inkomen te verwerven. Wij moeten immers niet vergeten, dat ‘technische vooruitgang’ als variabele in de economie niet alleen betekent nieuwe uitvindingen, maar toepassing ervan. En dat het niet alleen gaat om natuurwetenschappelijke ontdekkingen, maar ook over bedrijfsorganisatie, distributie en juiste bepaling van de werkelijke behoefte der consumenten. Zulk een vernieuwing is vaak een samenspel tussen creatieve arbeid en risicodragend kapitaal. Beiden moeten dan van extra inkomen kunnen profiteren om deze vernieuwing maximaal te stimuleren. Men kan zijn creatieve talenten namelijk ook aanwenden om zijn vrije tijd zo prettig mogelijk door te brengen, en de neiging om dit te doen zal groter zijn naarmate men minder kans heeft om via creativiteit zijn inkomen te verhogen. Vernieuwing betekent risico. Nieuwe producten op de markt brengen kost veel geld, terwijl slechts weinig nieuwe producten slagen. Als men zijn bedrijf uitbreidt, dan kan een mislukking ook het oorspronkelijke deel meesleuren. Wie een nieuw soort bedrijf opricht, investeert meestal niet alleen geld, maar ook een groot deel van zijn leven! Om deze vernieuwing op gang te houden moet de ‘vernieuwer’ dan ook een kans hebben op een inkomen dat aanzienlijk hoger is dan wat voortvloeit uit compensatie achteraf van de extra inspanning bijv. via een overwerktarief voor arbeid en via een rentevergoeding voor het geïnvesteerde kapitaal.

2) Behalve de vraag van uitvoerbaarheid, is er ook een principieel bezwaar verbonden aan de belasting op talent. Het kan niet anders, of deze belasting moet worden vastgesteld voor een beperkt aantal globale vormen van talent, bijv. een combinatie van een paar basisfactoren van talent zoals I.Q., spreekvaardigheid, sociale vaardigheid e.d. Nu blijkt dat als men groepen van mensen vormt op basis van deze soort criteria, er weliswaar duidelijk verschillen zijn tussen de gemiddelde inkomens van die verschillende groepen, maar dat binnen elk van deze groepen de individuele inkomens grotere verschillen vertonen dan de verschillen tussen de gemiddelde inkomens van elke groep. Dat komt omdat naast talent nog andere factoren een grote rol spelen, met name motivatie, inspiratie, vitaliteit, smaak en – zeer belangrijk – doodgewoon geluk, mazzel. Dat variatie binnen groepen even groot of groter is dan tussen de groepen is door alle studies op dit gebied bevestigd. Een belasting op talent zou dus een grote onrechtvaardigheid inhouden, afgezien van het feit dat zulk een soort dwangarbeid ook op morele gronden aanvechtbaar is. Moet iemand die aanleg heeft om hoofdingenieur van Rijkswaterstaat te worden, daartoe middels deze belasting worden gedwongen, ook al heeft hij muzikaal talent en voelt hij zich geroepen tot de veel minder goed betaalde baan van 2e violist bij het Rotterdams Filharmonisch orkest?

Conclusie

De uitgangspunten van het voorgestelde inkomensbeleid van de regering zijn dermate aanvechtbaar dat zij op zich zelve geen basis vormen voor een verantwoord beleid. Voor zover men deze uitgangspunten heeft willen afleiden van algemeen aanvaarde axioma’s (zoals de fundamentele gelijkwaardigheid van alle mensen), blijkt dat de afleiding niet voldoet aan de minimale eisen die de logica aan zulk een afleiding zou stellen, met name omdat de meest belangrijke schakel ontbreekt. Waar men zich beroept op algemeen aanvaar de normen van rechtvaardigheid betreffende inkomensverschillen, kan men op geen enkel onderzoek terugvallen waaruit blijkt dat deze normen algemeen worden aanvaard, en er zijn goede gronden om daaraan te twijfelen.

Wat betreft de economische theorie van een optimale inkomensverdeling baseert men zich op werk van Tinbergen. Zonder aan de waarde van dit werk afbreuk te doen, kan men stellen dat het onbruikbaar is als uitgangspunt voor een concreet beleid. Het is namelijk een eerste aanzet om zulk een beleid te baseren op een coherente theorie die steunt op feiten, niet het laatste woord.
Blijft dan nog over de wens van de regering om inkomensverschillen weg te werken die geen enkele economische functie hebben, bijvoorbeeld omdat zij veroorzaakt worden door traditie, relaties etc. Deze inkomensverschillen worden inderdaad vrij algemeen als ongewenst gezien. De vraag is dan niet meer of het uitgangspunt van de regering juist is; het wordt nu een vraag van praktische uitvoerbaarheid, die uitdrukkelijk buiten dit artikel is gehouden. Ik geef daarom de pen over aan drs. A. J. Butter, die in zijn boek ‘Loon naar werken’ (Stichting Economisch Onderzoek van de Universiteit van Amsterdam, 1976) stelt dat dergelijke inkomensverschillen:

a
niet voldoende exact zijn te definiëren;
b niet te meten zijn met de instrumenten die ons vandaag ter beschikking staan;
c maatregelen zouden eisen met (nog onbekende) negatieve bijwerkingen die in geen verhouding zouden kunnen staan tot het te verwachten resultaat.

Wie eenmaal wat dieper in deze materie is gedoken komt tot de conclusie dat de meeste voorstellen van de regering inzake een inkomensbeleid niets anders zijn dan een stuk politiek opportunisme. Deze indruk wordt bevestigd door het feit dat de regering zich niet eens de moeite heeft genomen om het cumulatieve effect van alle door haar voorgestelde maatregelen ten aanzien van de inkomensverdeling te berekenen, zodat een eenvoudige brochure van de NCHP nodig was om te wijzen op een aantal moeilijk verteerbare consequenties, die de regering onbekend waren. Moet men dan concluderen dat een vermindering van verschillen in welzijn geheel niet moet worden nagestreefd? Beslist niet. Wij hebben alleen aangetoond dat uit de thans aangevoerde grondslagen niet mag worden geconcludeerd dat men moet streven naar gelijk welzijn voor allen, en zeker niet als doel no. 1 van onze economische politiek. Het voeren van een inkomensbeleid gericht op
verkleining van verschillen in welzijn kan wel degelijk een goede theoretische onderbouw en goede praktische uitvoering krijgen. Maar alleen indien het een onderdeel uitmaakt van een totale maat schappelijke conceptie, die is gefundeerd op wat werkelijk door de mensen gewenst is, en op een zo objectief mogelijke analyse van de realiteit. En consistent is.

De theoretische grondslagen van het inkomensbeleid van links stoelen bijvoorbeeld zoals is uitgelegd op veranderen van de mentaliteit van de mensen in de richting van grotere solidariteit. De linkse politiek is echter juist op het tegenovergestelde gericht geweest. In de plaats van een mentaliteit van ‘elkaar meer gunnen’ en minder waarde te hechten aan materiële rijkdom, heeft men een politiek van polarisatie gevoerd. Gevolg is een stimulering van afgunst en overwaardering van materiële welvaart. Dit is gedaan onder het motto dat er nu eindelijk wat moet gebeuren, omdat er in wezen van verkleining in inkomensverschillen nog niets zou zijn terechtgekomen. Dit laatste nu is een misvatting, om niet te zeggen misleiding. Hoewel het uitermate moeilijk is om de ontwikkeling van de inkomensverdeling op lange termijn  statistisch te vatten, wijst het grootste deel der gemaakte studies (ook van progressieve coryfeeën als Tinbergen) erop dat de inkomensverschillen al met de helft verminderd zijn in de laatste 40 jaar, en steeds verder afnemen. Alleen is dit een zeer langzaam proces. Zoals de meeste natuurlijke groeiprocessen. Forceren van zulk een groeiproces werkt – na enkele kortstondige succesjes – meestal averechts. Een goede inkomenspolitiek zou dit groeiproces moeten leren kennen en op basis van deze kennis stimulerend begeleiden. In plaats van chirurgische ingrepen zoals door links voor gestaan zou men veeleer de omstandigheden moeten creëren die tot verkleining van inkomensverschillen leiden. Twee daarvan zijn bekend:  verhoging van de welvaart en van het onderwijsniveau. Deze en alle andere tot nu toe door economen besproken factoren van inkomensverschillen hebben betrekking op de mogelijkheid om een bepaald inkomen te verwerven.

Zou het niet eens tijd worden om zich bezig te houden met de andere kant van de zaak nl. Met de behoef te aan inkomen? Uiteraard zal een ieder wel graag wat meer inkomen hebben. Maar de intensiteit van deze behoefte kan nogal uiteenlopen. Voor eenieder is er zoiets als een minimuminkomen, dat sterk verschilt naar plaats (V.S., Europa, India), tijd (ons huidige reële minimum loon zou 50 jaar geleden als luxe inkomen zijn ervaren) en sociale groep. Als men de verschillen kan verkleinen van deze minimuminkomens, zal misschien vanzelf volgen dat de daadwerkelijke inkomensverschillen verminderen, zonder enig ongewenst neveneffect. Het is voor mij een uitgemaakte zaak dat er voldoende mogelijkheden zijn voor een verantwoord en effectief inkomensbeleid, wanneer men dit beleid kan vrijmaken van de dogmatische en politiekopportunistische krachten die het huidige beleid hebben voortgebracht.

P.Pappenheim, Intermediair van 12-19 mei 1977

PS. Anno 2010 blijkt bovengenoemde verwachting – dat met het stijgen van de welvaart de inkomensverdeling wat gelijkwaardiger zou worden – niet uit te komen, integendeel. Nu de ‘linkse kerk’ het heeft afgelegd tegen de neoconservatieve vrije mythologie is de inkomensverdeling ondanks stijgende welvaart ongelijker geworden. Toen ik dit artikel schreef moest ik nog beginnen aan de fundering van democratie. Daaruit blijkt dat de inkomensverdeling geen vooraf te bepalen en zelfstandig doel kan zijn, maar moet volgen uit een correcte uitvoering van de eisen die democratie stelt aan economie en overheid.