Democratie in een notendop

Door: Peter Pappenheim

(-> printversie )
Nog steeds kent de politieke filosofie en wetenschap geen eenduidig principe, geen definitie van democratie die adequaat is en algemeen wordt aanvaard. Wij vinden slechts een overvloed aan tegenstrijdige standpunten van vooraanstaande denkers. De discussies in de politieke wetenschappen gaan vooral over procedures en instituties van de democratie. Toch zijn procedures slechts middelen om een doel te bereiken, en ze kunnen worden gemanipuleerd. Ook al wordt bv. de Islamitische wet, de sharia, in een land ondersteund door een grote meerderheid, wij vinden een theocratische staat geen democratie, ongeacht de manier waarop hun leiders worden gekozen. Zolang er geen overeenstemming is over het doel van haar procedures, kunnen we niet verwachten dat de democratie werkt. De logische manier om deze overeenstemming te bereiken is niet – zoals gebruikelijk – om af te gaan op wat filosofen daarover te zeggen hebben, maar om te onderzoeken wat alle mensen willen wanneer zij kiezen voor de democratie.  Dat is de volkswil.

1) Inleiding
2) Hoe het begon.
3) Het democratisch beginsel.
4) Democratie is een cultuur, incluis ethiek en moraal.
5) Kan democratie werken?
6) procedures zijn  middelen om democratie te laten werken.
7) D
e taken van de overheid in een democratie.
8) Democratie is geen exportproduct.
9) Een funeste combinatie: Politieke partijen en vermengen van feiten met belangen.
10) Democratische argumentatie
11) De maatschappelijke verantwoordelijkheid van de wetenschap.
12) Conclusie.
13) Andere onderwerpen.
.…..13A) Immigratie en de politieke Islam.
……13B) Economie als wetenschap
……13C) Pragmatisme versus opportunisme

1) Inleiding.

Het antwoord op de vraag “wat willen wij met democratie” vereist twee stappen:
A) Willen wij wel een regering, en zo ja, waarvoor?
B) Wat verwachten wij van democratie dat andere vormen van regering ons niet brengen?

ad A) Wij danken onze vooraanstaande, zelfs dominante, plaats in onze wereld vooral aan samenwerking. Door taal, kracht van reflectie (denken over denken) en organisatie hebben wij samenwerking getild naar een niveau dat is voorbehouden aan de menselijke soort. Daarmee en hebben wij een nieuwe sfeer toegevoegd aan de aarde, onze cultuur, landbouw, machines, enz. tot aan de wiskunde en kunst. Om samen te werken, moet men bestaan, dus we moeten ook zorgen voor co-existentie, voor samen leven.

De natuur kent drie manieren om co-existentie en effectieve samenwerking te waarborgen:
1. – Instinct, aangeboren neigingen en sociale vaardigheden zoals imitatie en inlevingsvermogen
2.- De regels van sociaal gedrag, aangeleerd door de interactie met hun ouders en de andere leden van hun groep
3.- De macht van een leider die beslissingen neemt en sociaal gedrag afdwingt wanneer de vorige middelen het laten afweten. De leider bereikt die status door zijn kracht, intelligentie en agressiviteit. In de natuur is de rol van de leider marginaal; het instinct stelt grenzen aan de schade die hij kan aanrichten; het dwingt bijvoorbeeld wolven en chimpansees om hun aanval te stoppen zodra hun tegenstander zich overgeeft.

Door onze symbolische taal, ons verstand, onze verbeelding en de resulterende explosie van de actie alternatieven, is een menselijke samenleving fundamenteel verschillend van die van andere primaten, zowel in omvang, complexiteit, specialisatie als in de macht om schade te berokkenen en te vernietigen. We vertrouwen nog steeds op instinct, leren en gezag om co-existentie en samenwerking te waarborgen, maar de vorm die deze hebben aangenomen is nieuw. Ten eerste moesten wij de regels van gedrag vastleggen in wetten om hun naleving te waarborgen in onze complexe samenleving. Ten tweede verliezen instinct en aangeleerd gedrag hun doeltreffendheid bij wezens die zich daarvan bewust zijn, en daardoor ook van de mogelijkheid om ze te overtreden. Het derde middel van coördinatie, autoriteit, wordt navenant belangrijker. In een menselijke samenleving blijkt leiderschap dat is gebaseerd op geweld niet goed te werken. Een wolf die de leider heeft uitgedaagd wordt gespaard als hij onderdanigheid toont door het aanbieden van zijn keel. Menselijke leiders realiseren zich dat onderwerping slechts tijdelijk kan zijn en tonen geen pardon voor degenen die hun autoriteit betwisten. Samen met onze destructieve vermogen, heeft onze zucht naar macht en territorium geleid tot een onderlinge slachting zonder weerga. De vaak bloedige strijd om het leiderschap en de daaruit voortvloeiende grillen van de wet heeft geleid tot een poging om het leiderschap te stabiliseren door het erfelijke te maken of door leiderschap en wetten te baseren op goddelijke voorschriften (bijbel, de koran). Tevergeefs. Zoals blijkt uit de geschiedenis, is het beroep op een bovenmenselijk gezag niet echt een recept voor vreedzame co-existentie.

ad B) Wij willen dus geen regering gebaseerd op macht. Rede en verbeelding hebben de effectiviteit van het natuurlijke evolutionaire middel van co-existentie en coördinatie, instinct, ondergraven, maar zij stelden ons wel in staat om een ander middel te ontwikkelen voor samenwerking: de overeenkomst, te bereiken via onderhandelingen, en geformaliseerd in een contract. Twee eigenschappen kenmerken de overeenkomst:
- haar aanvaarding moet vrijwillig zijn (anders is het een dictaat)
- het is de gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle deelnemers om haar te doen werken.
Overeenstemming tussen personen die verschillende belangen en idealen nastreven is alleen te bereiken wanneer zij de waarde van het daarmee verkregen samenleven en samenwerken stellen boven hun andere doelstellingen. Zij moeten inzien dat de overeenkomst de beste ‘deal’ is die zij kunnen verwachten in een wereld die niet speciaal geschapen is voor hun eigen genoegen. Een overeenkomst, geformaliseerd in een contract, ligt dan ook aan het begin van het gros van onze ondernemingen. Coördinatie via overeenkomst is de exclusieve basis van democratie. Het huidige systeem van politieke partijen die regeren op basis van de macht van de meerderheid voldoet niet daaraan.

2) Hoe het begon.

De eerste democratie ontstond vijf eeuwen bc. in de stadstaat Athene als een alternatief voor  persoonlijk leiderschap op basis van macht, voor tyrannen. De ‘Algemene Vergadering’ werd hun centrale politieke instelling; zij werd bijgewoond door 5 000 tot 6 000 leden en stond open voor alle volwassen mannelijke burgers (vrouwen, slaven en buitenlanders werden niet als burgers gezien). De Algemene Vergadering kon over vrijwel elke binnenlandse kwestie beslissen bij gewone meerderheid van stemmen en zonder enige wettelijke beperkingen. De leiders van de Vergadering werden niet gekozen, maar voor een jaar aangewezen door loting. Er was geen grondwet, waardoor deze democratie onderhevig was aan kliekvorming en aan manipulatie door gewiekste en welsprekende demagogen. Binnen twee eeuwen was zij ter ziele.

De oudste nog betaande politieke entiteit,  Zwitserland, ontstond in het middeleeuwse, feodale Europa, dat zich bevond zich in een constante staat van oorlog tussen de diverse graven en hertogen, gebrand op het vergroten van hun bezittingen en macht, vooral wanneer het centrale gezag – paus, koning of keizer – zwak was. In het voorjaar van 1291, overleed de sterke koning Rudolph. Uit vrees om hun vrijheid te verliezen, verzamelden de vrije mannen van drie valleien (kantons) in de Alpen, Uri, Schwyz en Unterwalden, zich op één augustus 1291 op een weiland op de Rütli  en zworen om samen hun onafhankelijkheid te verdedigen tegen een ieder die haar wilde bedreigen. De overeenkomst werd vastgelegd in een – nog steeds bestaande – document van een pagina, de ‘Bundesbrief’, die zo het eerste democratische contract werd. Om de onderlinge vrede te waarborgen, en om te voorkomen dat een van de deelnemers de anderen zou kunnen domineren, werd het  gezag in de besluitvorming gelijkelijk onder alle ondertekenaars verdeeld; in die zin was dit verbond democratisch. De kantons bleven vrij in hun eigen besluitvorming op alle onderwerpen die niet waren vastgelegd in het contract, en er was geen centrale autoriteit. Het was nog geen natie, maar een verbond. Elk kanton was verplicht  om de wetten van de ander eerbiedigen en om de handhaving van ieders wetten te waarborgen door de bestraffing van diegene die ze brak, zelfs als hij uit een ander kanton  bij hen bescherming zocht. De omliggende gemeenschappen zagen de waarde van een dergelijk pact en sloten zich daarbij aan; het aantal kantons nam geleidelijk toe; in 1515 bereikten zij het  uiteindelijke aantal van 22 dat gezamenlijk een territoriale entiteit definieerde: Zwitserland.

Maar het was nog geen democratie zoals wij die vandaag kennen. Gelijke autoriteit en stemrecht was niet van toepassing op alle inwoners, maar gereserveerd voor ‘vrijgestelden’, mense die voor hun bestaan niet afhankelijk waren anderen: grondeigenaren, hoofden van gemeenten en heerlijkheden, en andere bevoorrechte personen die angstvallig hun gezag, hun voorrechten en het recht om zich met hun eigen zaken te bemoeien verdedigden. Alle andere inwoners – een meerderheid – bleef hun schatplichtig en had geen zeggenschap in de publieke zaken; ze waren ‘onvrij’. De vrijgestelden hielden een in wezen feodale en conservatieve orde angstvallig in stand.

De confederatie raakte vaak in grote problemen. Met vallen en opstaan leerde zij dat zij niet kon volstaan met alleen de wil om een defensieve gemeenschap van kantons te vormen en om elkaars wetten te respecteren. Zo waren te huren krijgers gedurende vele eeuwen het belangrijkste exportproduct van Zwitserland. Vechtlustig, en gehard in het zware leven in de bergen, waren zij zeer in trek bij buitenlandse heersers. Om hun voorrad aan huurlingen veilig te stellen kweekten deze heersers hechte banden met individuele kantons. Zo konden huurlingen uit één Zwitsers kanton moeten vechten tegen huurlingen die uit een ander kanton kwamen. Dat leidde bijna tot een ineenstorting van de confederatie en leerde hen een eerste les over een levensvatbare democratische gemeenschap, de noodzaak van een gemeenschappelijk buitenlands beleid; zij kozen voor strikte neutraliteit. Toen doemde een andere dreiging op: religie. Werden de vroege middeleeuwen verscheurd door conflicten en zelfs oorlogen tussen de paus en wereldlijke autoriteiten, thans was overal in Europa de politieke autoriteit gebonden aan gezag in geestelijke zaken. De reformatie bracht nieuwe geestgelijke autoriteiten en dus nieuwe conflicten. Naast Luther was door Zwingly een concurrerende hervormingsbeweging opgericht in het oosten van Zwitserland. Drie religies vochten nu om spirituele dominantie. Religieuze geschillen zijn niet onderhandelbaar en het resultaat was een burgeroorlog. Dat leerde de Zwitsers een nieuwe les: zij moesten ook in geestelijke zaken neutraal zijn. Een laatste les moesten ze nog de leren: je kunt niet half democratisch zijn. Het aanzienlijk aantal  vaak uitgebuite, onvrije mannen veroorzaakte vele opstanden die moesten worden onderdrukt, soms met geweld.

Elders, beginnend met John Locke eind van de zeventiende eeuw, legden de filosofen van de Verlichting de conceptuele basis van de democratie waarop de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog en de Franse revolutie bouwden. Zij openden een nieuw hoofdstuk in de politieke geschiedenis van wereld. De Fransen bezetten kortstondig de Zwitserse confederatie, installeerden een centrale regering en voerden de moderne juridische code “Napoleon” in.  Daarmee begon in Zwitserland een nieuw avontuur: het vormen van een echt democratisch staat en met een centrale regering en de uitbreiding van de deelname aan politieke leven tot alle burgers. Aangezien dit de instemming vereiste van alle tweeëntwintig kantons, verliep de transformatie van de oorspronkelijke confederatie met haar feodale interne organisatien naar een moderne democratie moeizaam en traag. Het bleef een coalitie van gemeenschappen jaloers op hun autonomie. Alleen zaken die niet kunnen worden geregeld op lokaal niveau worden verwezen naar een instantie, meestal na lange onderhandelingen. Controversiële onderwerpen worden voorgelegd aan een bindend referendum. Terwijl in andere landen democratie vaak via een revolutie werd gevestigd, groeide zij in Zwitserland op een organische, natuurlijke wijze. Pas in 1959, als laatste van alle westerse democratieën, voerde Zwitserland het actief en passief kiesrecht voor vrouwen in!

Maar het resultaat is de moeite waard: niettegenstaande de diversiteit van haar bewoners (vier verschillende talen) genereerde het een sterke burgerzin. De burgers zijn zeer betrokken bij de politiek,en de staatshoofden en regeringsleiders genieten nog steeds een perceptie van legitimiteit die de politiek verloren heeft in vele andere westerse democratieën. Men streeft naar consensus, en derhalve zijn alle belangrijke politieke partijen vergtegenwoordigt in de regering. Zoals Micheline Almy-Rey – een recente presidente van Zwitserland – zei: “We zijn een gewilde natie (Willensnation). Niet omdat we een etnische groep vormen of dezelfde taal of cultuur delen. Nee, wij zijn Zwitsers omdat we onze belangen gezamenlijk willen nastreven.”   Zwitserland is echt een gemeenschappelijke en vrijwillige onderneming van al haar burgers, en haar geschiedenis bevat nuttige lessen voor de democraten vandaag.

Democratie is een gemeenschappelijke en levende entiteit  die geen definitie van een eindtoestand toelaat. De specifieke eigenschappen, met name de procedures, moeten zich aanpassen aan de omstandigheden van de samenleving en de veranderingen daarvan. Een democratie kan niet worden opgelegd, zij moet evolueren en steeds opnieuw haar levensvatbaarheid bewijzen en bevechten door interne ontbinding te voorkomen en aanvallen door andere vormen van sociale organisatie te weerstaan. Alleen door het succes van haar toepassing kan men anderen stimuleren om haar in te voeren. Democratie is geen exportproduct (zie 8). Ongeacht haar specifieke kenmerken moet zij altijd haar essentie, de beginselen waardoor het zich onderscheidt van andere vormen van organisatie, blijven koesteren.

3) Het democratisch beginsel.

Wat willen de Zwitsers, wat willen alle democraten? Geen regering, politici of verkiezingen. Dat zijn allemaal ongemakken die zij moeten verduren om te krijgen wat alle menselijke wezens behalve kluizenaars willen en nodig hebben: een levensvatbare en zoveel mogelijk welvarende samenleving en de daarvoor noodzakelijke co-existentie en samenwerking. Alle democraten delen ook wat ze niet willen, namelijk dat een individu of groep hen kan vertellen wat zij moeten denken en doen, en dat kan alleen als deelname aan een dergelijke samenleving vrijwillig is, zoals hierboven weergegeven door Micheline Almy-Rey. Een vrijwillige overeenkomst tussen natuurlijke personen komt alleen tot stand als zij beseffen dat ze beter af zijn met haar dan zonder haar. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat hun belangen niet ondergeschikt zullen worden gemaakt aan die van een ander individu, maar alleen aan de gemeenschappelijke onderneming waaraan zij vrijwillig willen deelnemen. Zoals de Zwitsers hebben ervaren en zoals de filosofen van de Verlichting concludeerden: de keuze voor de democratie kan alleen vrijwillig zijn als geen individu, groep of idee enig a priori gezag kan hebben in de sociale besluitvorming. Democraten willen de baas blijven over hun eigen beslissingen, zij willen hun eigen leven leiden, zij willen hun autonomie behouden om te besluiten wat goed of slecht is; zij ontzeggen aan elk ander  het recht om hun zijn wil op de dringen. (Dat is niet gelijk aan geheel zelfstandig of onafhankelijk). Ze beseffen dat dit aan ieder lid van de samenleving de plicht oplegt om de autonomie van alle anderen te eerbiedigen. Toch moeten besluiten worden genomen die de leden, vaak alle leden, van de samenleving aangaan; dat veronderstelt een autoriteit om deze te nemen. De enige oplossing is om alle leden van de samenleving even veel autoriteit te geven, om iedere burger te aanvaarden als volwaardig lid van de maatschappij op dezelfde voorwaarden als alle anderen.

Respect voor ieders recht om te beslissen wat goed of slecht is betekent niet dat de anderen zijn opvatting moeten delen. Het leidt niet tot relativisme, het eist niet dat wij ieders mening even goed vinden als die van een ander. Wat de samenleving als goed beschouwt moet groeien uit democratische argumentatie en procedures.

Het respect van onze autonomie kan worden vertaald in een enkel criterium voor sociale besluitvorming, een beginsel dat zowel noodzakelijk als voldoende is om ervoor te zorgen dat de besluiten de kwalificatie als democratisch in bovengenoemde zin verdienen, en dat ons in staat stelt om een oordeel te vellen over het democratische gehalte van verschillende soorten beslissingen en instellingen. Dit beginsel is het onvoorwaardelijk respect in de maatschappelijke besluitvorming van de subjectieve gelijkwaardigheid van alle leden van de samenleving. Het is te vertalen in de gulden regel van rechtvaardigheid: zij kijkt slechts naar wat iemand heeft gedaan (een bank overvallen), en niet wat hij is (de neef van de president). Dat  zegt niets over de feitelijke gelijkheid van individuen. Als de gemeenschap een besluit gaat nemen, moeten de stemmen van elk lid even zwaar wegen.  Wie dat beginsel niet onderschrijft moet uit het contract kunnen stappen, bijvoorbeeld door te emigreren of door kluizenaar te worden. Maar door het afwijzing van het beginsel van de subjectieve gelijkwaardigheid verspeelt hij elke aanspraak op de bescherming die dit beginsel hem had kunnen bieden, zodat wij zijn bezwaren tegen een besluit mogen negeren. Dit beginsel rechtvaardigt derhalve het opleggen van een besluit aan dissidenten, en het is het enige beginsel dat dit kan. Wie belangstelling toont voor de wijze waarop zijn samenleving is georganiseerd heeft zijn keuze al gemaakt, namelijk om te leven in een levensvatbare en hopelijk welvarende samenleving. In dit stadium is nog geen standaard voor welvaart bepaald; deze moet ontstaan in de uitwerking van dit beginsel in een contract. De algemene definitie van democratie is dan “een gemeenschappelijk project dat de subjectieve gelijkheidwaardigheid van al haar leden respecteert”. Toegepast op een politieke entiteit wordt dat:

Democratie is een vrijwillige vereniging van personen die gekozen hebben voor:
- Een levensvatbare en welvarende samenleving die ie zorgt voor de vereiste co-existentie en samenwerking.
- Die de uiteindelijke autoriteit van alle individuen over zichzelf, hun autonomie, en dus hun subjectieve gelijkheidwaardigheid, respecteert. “

Alleen besluiten die met algemene instemming zijn genomen voldoen aan het democratische beginsel. Totale consensus tussen autonome personen komt nauwelijks voor. Toch kan het democratisch werken, want er is een geval waar men een niet-unanieme beslissing kan rechtvaardigen, want de beslissing om te leven in een democratie is per definitie wel door alle leden genomen.

Non-unanieme besluiten zijn verenigbaar met het democratisch beginsel wanneer zij van vitaal belang zijn voor het voortbestaan van de samenleving, op voorwaarde dat ze zijn genomen in een procedure die  bovenstaande subjectieve gelijkheid respecteert. Het is de wisselwerking tussen de twee, vaak tegenstrijdige, elementen (de maatschappij en autonomie) die de democratie zowel haar dynamisme als haar problemen geeft.

Een democratische samenleving kan aan bepaalde leden een specifiek gezag toekennen (overheid, politie, enz.). Dat gezag is nooit gehecht aan hun persoon. Het volgt uitsluitend uit de functie die zij geacht worden te vervullen en die hun is toegekend op basis van hun objectieve kwalificaties die zijn vereist voor deze functie, waardoor ze in de ogen van de leden van de samenleving deze macht waard zijn. Om legitiem te zijn, moet deze autoriteit verkregen zijn door een democratisch besluit en kan ten alle tijden worden herroepen door een ander besluit. Macht is onvermijdelijk in een samenleving. Het exclusieve kenmerk van democratie is dat de politieke macht altijd  afhankelijk is van democratische legitimatie en altijd herroepbaar.

Het democratisch principe is absoluut. Het beginsel van subjectieve gelijkwaardigheid  is zowel noodzakelijk als voldoende is om democratie te definiëren. Geen andere beginsel, geen ander a priori ‘goed’ of ’slecht’ kam bestaan op hetzelfde of op een hoger niveau dan deze subjectieve gelijkwaardigheid, want dat zou het sociale systeem belasten met onoplosbare tegenstellingen, paradoxen. Stel dat aan een ander principe dezelfde of een hogere mate van prioriteit wordt toegekend. Zolang dit extra beginsel is aanvaard in een procedure die voldoet aan het democratisch beginsel is er geen noodzaak om het in te voeren op hetzelfde of hoger niveau van de prioriteit. Als het niet was aanvaard op basis van een democratische procedure, en als ook maar een enkel lid van de samenleving bezwaar zou   maken, zijn we gedwongen te kiezen tussen het democratische en het aanvullende beginsel, zelfs als wij het aanvullende beginsel in het verleden hadden aanvaard in een democratische procedure. Daarom moeten er procedures beschikbaar zijn voor een herziening van alle besluiten, met uitzondering van de keuze voor democratie. Zo niet, zouden deze besluiten ook bindend zijn  voor toekomstige leden wiens stem niet werd gehoord op het moment dat het besluit was genomen; dat zou hun democratische rechten schenden. De te overwegen rechten zijn dus altijd de rechten van de huidige burgers. De enige garantie voor het voortbestaan van de democratische gemeenschap is het belang dat de huidige burgers hechten aan hun nageslacht. Onrechtvaardigheden, begaan of ondergaan door vorige burgers genereren geen vorderingen op de huidige, tenzij dit word bevestigd door de lopende democratische wetgeving en procedures. Voor wie de krant leest zal de relevantie van dit beginsel evident zijn.

Besluitvorming in een democratie moet zowel rechtvaardig als efficiënt zijn. Zoals uiteengezet in (*), is het recht een door mensen geschapen aanvulling op de ‘natuurlijke’ middelen – instinct en opvoeding – om co-existentie en samenwerking te waarborgen daar waar deze tekort schieten. De beginselen en de wetten van rechtvaardigheid  moeten worden afgeleid uit het democratisch beginsel, of bevestigd zijn in een democratische procedure. Aangezien zowel rechtvaardigheid als efficiëntie voortvloeien uit hetzelfde doel en beginsel, kan geen van beiden aanspraak maken op prioriteit boven de andere. Efficiëntie verwijst hier naar de bijdrage aan de leefbaarheid en de welvaart van de samenleving en moet alle aspecten van de samenleving en haar leden omvatten, bijvoorbeeld de samenhang van de gemeenschap en andere niet-monetaire factoren die relevant zijn voor het welzijn van individuen. Elke wet beperkt de vrijheid van handelen van individuen en kan alleen worden gerechtvaardigd als zij effectief is voor het bereiken van haar doel. De eis van doelmatigheid wordt vaak over het hoofd gezien, wat bv. resulteert in pogingen om de democratie op te leggen aan de ontwikkelingslanden, een getuigenis van gebrekkig begrip voor de aard van democratie . (Zie sub 7). Elk recht impliceert altijd een plicht, niet alleen om ervoor te zorgen dat het wordt gerespecteerd, maar ook dat het kan worden gerespecteerd.

Het contract moet doorlopend worden bijgewerkt en opnieuw bevestigd. Mensen worden in een bepaalde samenleving geboren. Ze hebben niet gekozen voor de democratische beginselen, en ze hadden niet gestemd voor de grondwet en ook geen afstand gedaan van hun vetorecht bij vitale beslissingen. Democratie als hier gedefinieerd stoelt niet op een of ander historische besluit, maar is gebaseerd op de huidige wil om te leven in een samenleving zoals gedefinieerd door het democratische beginsel. Deze wil moet door ons allen, en elke dag, worden herbevestigd. Behalve dit beginsel is niets in onze democratie definitief; de bijzonderheden van het contract kunnen ten alle tijden worden herzien. En zoals met elk contract is het slechts effectief als het afdwingbaar is.

Een contract definieert altijd ook een groep: degenen die zich daarbij hebben aangesloten. Een van de grondleggers van de democratie, John Locke, heeft een naam voor zulk een groep: “a body civil”; de leden ervan zijn de “burgers”. Iedereen, zelfs degene die het lopende contract al heeft onderschreven, kan later bezwaar maken tegen een specifieke bepaling en proberen deze met democratische middelen veranderd te krijgen. Indien hij daarbij faalt, kan hij toch een functionerend lid van de maatschappij blijven, zolang hij de keuze van de anderen respecteert. Deze democratische samenleving garandeert aldus de maximale vrijheid die verenigbaar is met het leven in een samenleving waarin macht is vervangen door overeenkomst als een middel van organisatie.

Het probleem van een democratische samenleving is om door eerlijke onderhandelingen tot een contract te komen dat elk persoon kan ondertekenen als zijnde het beste dat  zij kan verwachten in een wereld die niet speciaal voor haar eigen genoegen is geschapen, en die op dezelfde voorwaarde aanvaardbaar moet zijn voor alle andere burgers. Weigering om te ondertekenen is het bewijs van verwerping van het democratisch beginsel, of van een kennelijke onwil om de minimale prijs te betalen – in termen van verlies van vrijheid – die vereist is om in een geordende samenleving te leven. Het contract moet ook de delegatie van bevoegdheden en de onderhandelingsprocedures vast stellen die nodig zijn om ten minste al die beslissingen te kunnen nemen die van vitaal belang zijn voor de samenleving, en voldoende besluiten die dat niet zijn, maar die  de samenleving voldoende aantrekkelijk maken voor haar leden om het basiscontract en de beslissingen die hieruit voortvloeien te willen aanvaarden, ook al genieten sommige beslissingen niet hun voorkeur.

Deze opvatting van democratie hoeft niet te worden gerechtvaardigd: het is letterlijk een ‘graag of niet’  propositie. Men kan het dan doen zonder de complexe constructie van filosofen, zoals de ‘original position’ van Locke, die het begrip van de meeste van ons te boven gaan; zelfs als zij wel begrepen worden, overtuigen zij niet echt. (*)

4) Democratie is een cultuur, incluis ethiek en moraal.

Wij doen het  best wat vanzelf komt, zonder na te denken; hetzij omdat het instinctief is, of omdat we hebben geleerd en aangewend om ons zo te gedragen. Ons onderbewustzijn leidt vrijwel al onze activiteiten. Als we al ons gedrag – al onze routinematige dagelijkse werkzaamheden, wandelen, vullen van een glas water, hallo te zeggen, enz. - zouden moeten overdenken en rechtvaardigen, zou ons sociale leven onmiddellijk en totaal  vastlopen. Bewust, rationeel overdenken kost inspanning en tijd. Het is alleen zinvol wanneer men twijfelt en het besluit belangrijk is.

De rede doet ons kiezen voor democratie en haar wetten, maar rationele individuen zullen in hun dagelijkse beslissingen de neiging hebben om te het alternatief te kiezen dat voor hun zelf het hoogste netto voordeel belooft; wat rationeel is voor de gemeenschap als geheel komt dan op de tweede plaats. We kennen allemaal het probleem van de ‘free rider’: als het mogelijk is om te profiteren van een openbare dienst zonder te betalen voor de kosten, of deel te nemen aan een winstgevende maar illegale actie, lijkt het rationeel om dit te doen …. als men er mee wegkomt. Wanneer het veel mensen lukt om belasting te ontduiking, zullen  de tarieven voor de anderen stijgen en is er minder geld om de sociale uitkeringen te financieren. Frequente overtredingen verminderen tevens de perceptie van legitimiteit en van het risico van straf, ten koste van de neiging om de wet na te leven. De kosten van overtreden van de gedragsregels moeten aanzienlijk groter gehouden worden dan de voordelen ervan. Opsporen en bestraffen van overtreders betekent sancties, wetgevers, rechters, politie en gevangenissen enz.; allemaal zeer kostbaar voor de gemeenschap. Als burgers hun keuzes uitsluitend baseren op ‘rationele’ berekeningen, zullen de kosten van naleving van zelfs een enkele norm zeer hoog worden; voor alle normen wordt het helemaal onbetaalbaar. Het gevolg is een onaangename, zieke gemeenschap gebaseerd op dwang en angst.

De ervaring leert dat in alle gezonde samenlevingen de mensen meestal de normen respecteren die zij als redelijk hebben aanvaard. Een individu dat uitsluitend afgaat op zijn eigen voordeel is een fictieve persoon, geamputeerd van die aangeboren of verworven motivaties en gedragsregels die een sociaal wezen kenmerken en die de sociale interactie regelen: fatsoen, moraal en deugden. Om hun functie te kunnen vervullen, moeten deze worden geïntegreerd in onze dagelijkse informatieverwerking en besluitvorming, zij moeten een gewoonte worden, een deel van onszelf (meestal via sociale interactie), kortom worden ‘geïnternaliseerd’, waardoor ook de noodzaak van sancties verminderd. Ze zijn een essentieel deel van een cultuur die een geordend sociaal leven leefbaar en – belangrijk voor de democratie – aantrekkelijk maakt. De noodzaak van deze integratie en de verenigbaarheid daarvan met andere aspecten van de sociale organisatie, bijvoorbeeld de economie, is een belangrijk en verwaarloosd onderdeel van onze westerse kapitalistische samenlevingen.

Om doeltreffend te zijn, moet het democratisch beginsel worden vertaald van een abstract ideaal naar een ethiek, het moet uitgroeien tot een publieke moraal. De normen en deugden voor het sociale gedrag moeten worden gedefinieerd op een manier die iedereen kan begrijpen en naleven, en wij moeten voorzien in het leerproces dat nodig is om de burgers deze als natuurlijk en vanzelfsprekend te doen ervaren. In onze Westerse democratieën hebben wij ten lange leste zulke sociale normen ontwikkeld, zij het onder zeer gunstige voorwaarden van ruime grond en andere hulpbronnen, en genoeg tijd om dit met vallen en  opstaan te bereiken. Het fundament van een algemeen aanvaard beginsel geeft haar de hardheid, de onverzettelijkheid die ze kan beschermen tegen corruptie door belangen, ideologiëen en valse profeten. Nieuwe democratieën hebben nog de tijd, nog onze gunstige voorwaarden. ‘Vallen en opstaan’ betekent voor hen de wet van de jungle, het recht van de schurkenstaat; het kweekt demagogen, burgeroorlog en tirannen (zie sub 8). De kracht van een democratie hangt af van de mate waarin haar cultuur een uitwerking is van het democratisch beginsel dat elk aspect moet doordringen van het sociale leven van de individuen en ze beschermd tegen  ondemocratische tendensen.

Vrijheid, gelijkheid en broederschap: de strijdkreet van de Franse revolutie. Ze worden alom gezien als fundamenteel voor de democratie, en op nog grotere schaal misbruikt in hun toepassing omdat zij een algemeen erkende en eenduidige definitie missen. Een dergelijke definitie kan worden afgeleid uit het democratisch beginsel; deze heeft het voordeel dat zij in overeenstemming is met de betekenis van haar woorden in  onze gewone spreektaal en vertaalbaar in concrete en realiseerbare besluiten. Vrijheid is het recht om onze eigen ideeën en doelstellingen na te streven, in het besef dat deze niet zijn onderworpen aan die van een ander individu of groep, kortom op onze autonomie. Zij is niet onderhandelbaar, zij kan niet worden verwaterd door andere rechten zoals ‘vrijheid (=vrij zijn) van armoede’. Gelijkheid verwijst naar de subjectieve gelijkwaardigheid van het democratisch beginsel. Ook zij is niet onderhandelbaar, het is de voorwaarde voor het functioneren van een sociale organisatie die de gelijke autoriteit van haar leden respecteert; het kan niet worden opgerekt tot andere dimensies van de gelijkheid, zoals een gelijk welzijn. Broederschap is zowel een voorwaarde als een smeermiddel voor vrijwillige en effectieve samenwerking in een democratie. Vrijheid en subjectieve gelijkwaardigheid kunnen worden vastgelegd in formele wetten die kunnen worden afgedwongen. Broederschap is vooral de sociale instelling van het individu die – voor zover zij niet is aangeboren – moet worden gekweekt. Zij heeft voornamelijk betrekking op het gebied van sociale interacties die buiten het bereik van het recht liggen: de ethiek,de moraal van de samenleving, en de deugd om ze na te leven. Zonder enige aanspraak op volledigheid,volgt hier een reeks van deugden voor een samenleving die gebaseerd is op vrijwillige co-existentie en samenwerking in een democratie.

De wil om te leven in een gemeenschap veronderstelt de volgende deugden:
- Gevoel van samenhorigheid, naastenliefde, ‘broederschap’
- Afzien van geweld om meningsverschillen op te lossen
- De wil om tot overeenstemming te komen door eerlijke onderhandelingen en argumentatie
- Erkenning van de plicht die verbonden is aan elk recht.
- Empathie, zich te kunnen inleven in andermans gevoelens
- Betrouwbaarheid als essentiële voorwaarde voor alle vrijwillige en effectieve samenwerking:

Het respect van onze autonomie veronderstelt de volgende deugden:
- Eerbiediging van de subjectieve gelijkheidwaardigheid en van de daaruit voortvloeiende afwijzing in sociale besluitvorming
van elke a priori autoriteit, bijvoorbeeld een religieuze, en het aanvaarden dat alle verworven autoriteit  slechts een mandaat
blijft dat kan worden  ingetrokken
- Wederkerigheid, en daarom universaliteit binnen de gemeenschap, van alle beginselen waarmee we onze acties rechtvaardigen
- Aanvaarden van de verantwoordelijkheid voor de gevolgen van onze keuzes; emancipatie impliceert  verantwoordingsplicht
- Respecteren van de regels van de democratische argumentatie en bestrijden van demagogie
- Tolerantie als eerbiediging van het recht van iedereen om zijn eigen mening, waarden en normen, en het nastreven van  zijn
eigen belangen,  mits dit wederkerig is- Intolerantie voor corruptie van deze deugden.

We moeten de democratische deugden als wenselijk, als nastrevenswaardig, ervaren. Voor democraten is deze ethiek de uitdrukking van hun eigen wil en verondersteld derhalve geen zelfverloochening, geen altruïsme. Zij is een van onze behoeften waarmee ons economisch systeem rekening moet houden. ‘Greed’ is niet ‘good’. Om als individu te overleven moeten we wel voorzien in onze andere, persoonlijke behoeften. Deze kunnen in harmonie of in strijd zijn met hetzelfde streven door anderen. Democratische ethiek en moraal streven naar harmonie van het eigen belang met het algemeen belang. Deze harmonie moet doorlopend worden bevochten, want conflicten tussen deze belangen is de regel, niet de uitzondering. De democraat zal niet streven naar de overwinning van de ene op de andere, maar zoeken naar een ‘redelijk’ evenwicht tussen het sociale en het individuele op basis van criteria afgeleid uit het democratisch beginsel, en door middel van de democratische procedures die voor dat doel zijn opgesteld. Merk op dat sommige van deze deugden, zoals gemeenschapszin, empathie en wederkerigheid, van toepassing zijn op elke vorm van samenleving, en ook te vinden zijn bij bv. bijvoorbeeld die van de chimpansees. In de natuur komt samenwerking em symbiose vaker voor dan strijd.

5) Kan democratie werken?

Zoals gezegd, konden de westerse democratieën zich ontwikkelen en floreren door de uitzonderlijk gunstige omstandigheden waarin zij zijn ontstaan: een overvloed aan vruchtbare grond en andere natuurlijke hulpbronnen en een technische ontwikkeling die nieuwe welvaart genereerde in een tempo dat hoog  genoeg was om de bevolkingsgroei te overtreffen en voldoende langzaam om de samenleving in staat te stellen om zich aan te passen. Voor westerse democratieën zijn deze dagen over, voor de rest van de wereld hebben ze nooit  bestaan. De chaos die het gevolg is van het ontbreken van een gemeenschappelijke en realistische kijk op de democratie wordt elke dag gedocumenteerd in onze kranten. Haar overwinning op de totalitaire aanvallen heeft de democratie beroofd van de verbindende, middelpuntzoekende kracht van een externe vijand. Het heeft haar gebreken bloot gelegd, bijvoorbeeld ons onvermogen om de huidige milieuproblemen of politieke en humanitaire crises te voorkomen of snel en effectief tegemoet te treden. Een dramatisch voorbeeld is ons verzuim om voormalige communistische en andere  dictaturen effectief te helpen in hun overgang naar de democratie door – bij ontbreken van een effectieve definitie – het accent te zeggen op haar procedures,

Het democratisch principe (hoofdstuk 3) is niet alleen noodzakelijk, maar ook voldoende voor het nemen van alle maatschappelijke besluiten die de moeite waard zijn om te nemen. Want wij kunnen:

  • - Alle beslissingen nemen die van levensbelang zijn voor de gemeenschap. Omdat wij allen een levensvatbare samenleving willen, is voor besluiten waarbij haar levensvatbaarheid in het geding is geen consensus vereist, alleen dat zij worden genomen door een procedure die de subjectieve gelijkwaardigheid van alle leden respecteert.
  • - Wij kunnen alle niet-vitale besluiten nemen die het nemen waard zijn (zie volgende paragraaf)
  • - We kunnen er de beginselen van rechtvaardigheid en moraal uit afleiden (zie sub 3 en 4), alsmede de taken die de staat moet vervullen met inbegrip van de elementen van een democratische inkomensbeleid (zie 7).

Jaloezie kan geen gegrond bezwaar leveren in een democratie, omdat zij het bewijs is van een niet-coöperatieve houding en dus schadelijk voor de samenleving. Non-vitale beslissingen kunnen derhalve worden genomen zolang niemand erdoor achteruit gaat. Dit is alleen mogelijk wanneer het netto resultaat van het besluit voldoende positief is voor de hele samenleving om een mogelijk verlies te kunnen compenseren van degenen die bezwaar maken; daarmee verspelen zij de rechtvaardiging voor hun bezwaar. Besluiten die niet voldoen aan deze voorwaarde leveren geen meerwaarde op; zij zijn niet de moeite waard. Motiveringen die zich beroepen op een hogere autoriteit of beginsel zijn per definitie in strijd met de democratie, ongeacht het aantal van haar aanhangers. Alleen in een theocratie kan religie een geldig argument zijn. Het democratisch beginsel is derhalve noodzakelijk en voldoende om de democratie te definiëren: gemeenschappen die dit beginsel respecteren kunnen levensvatbaar en welvarend worden, maar nooit totalitair. En totalitaire samenlevingen kunnen nooit beweren dat zij voldoen aan de criteria voor democratie.

De volkswil word vaak gezien als de basis van democratie. Een romantisch sprookje: alleen de willen van de individuele leden van de gemeenschap bestaan werkelijk. Met één uitzondering: aangezien het lidmaatschap van eeen democratie zial boven gedefinieed vrijwillig is, vertolkt het willen leven in een democratie de gemeenschappelijke wil van alle democraten. Toch heeft het begrip ‘volkswil’ een vrijwel universele aantrekkingskracht, en terecht. Kant biedt een uitweg uit deze ogenschijnlijke impasse met zijn onderscheid tussen wens en wil. Wij hebben een overvloed aan wensen; een wens wordt een wil wanneer wij bereid zijn om the doen wat nodig is om hem te realiseren. In een democratie zoals hierboven gedefinieerd kan een wens alleen een wil worden wanneer hij gerealiseerd kan worden zonder nadeel voor anderen. Als belangen tegenstrijdig zijn moet een gemeenschappelijke wil worden gevormd  in de eerlijke (faire) onderhandelingen die het ruggengraat van de democratie (zouden moeten) vormen. Indien sucessvol en voldoet het aan de hierboven genoemde voorwaarden, dan kan niemand een gerechtvaardigd bezwaar tegen de uitkomst hebben en is dit de “volkswil” geworden. Het leveren van een raamwerk voor zulke eerlijke onderhandelingen is de taak van onze grondwet en van de daaruit afgeleide procedures.

Kan de democratie overleven? Enkele van de helderste denkers van nu betwijfelen het (Guehenno’s “La Fin de la Democratie” en John Gray’s “Black Mass”). De huidige stand van onze wereld geeft geen enkele aanleiding om te verwachten dat ze zich vergissen. Een hoofdschuldige  is de vaak gehoorde maar misleidende definitie: “Democratie is regeren van het volk, door het volk en voor het volk”. Deze heeft opvatting heef geleid tot ons westers maar gebrekkig twee of meer partijenstelsel (zie 9). In feite gebeurd regeren nooit “door het volk”; regeren veronderstelt altijd regeerders en geregeerden; coördinatie via overeenkomst daarentegen kan aan de bedoeling van deze definitie voldoen. Wij denken dat wij door de uitoefening van ons stemrecht en het gehoorzamen aan de wetten hebben voldaan aan onze verplichting aan de democratie, of dat wij de huidige problemen van onze democratie kunnen oplossen door te sleutelen aan haar electorale procedures. Een belachelijk idee, gezien de complexiteit van een moderne samenleving en alle paradoxen van de democratie. Een democratische samenleving  kan niet worden ‘geconstrueerd’, zij moet ‘groeien’ op een organische wijze zoals alle levende systemen. De Zwitsers hadden meer dan een half millennium nodig. En een democratie is nooit voltooid. Het antwoord op de vraag “Kan de democratie overleven?” is: “niet in haar huidige toestand, en de fout ligt niet bij het democratisch beginsel, maar bij zijn gebrekkige toepassing.”

6) Procedures zijn  middelen om democratie te laten werken.

Als we eenmaal het democratische beginsel hebben aanvaard, evenals de beginselen van rechtvaardigheid, moraal en taken van de staat die rechtstreeks ervan kunnen worden afgeleid, dan moeten wij de middelen en procedures moeten ontwikkelen die nodig zijn voor het bereiken van overeenstemming over alle beslissingen die we moeten nemen, en waarborgen dat het democratisch beginsel in acht word genomen. De meest gangbare procedure is stemmen, maar in sommige gevallen kan een andere procedures geschikter zijn, bijvoorbeeld een loterij. Om te voldoen aan het criterium van de subjectieve gelijkheidwaardigheid moeten de procedures onafhankelijk zijn van alle specifieke belangen en dus stevig genesteld in één basisdocument: de grondwet. Een grondwet mag geen ander element bevatten dan het democratische beginsel plus de besluitvormingsprocedures en een aantal fundamentele rechten die rechtstreeks uit het beginsel zijn afgeleid. Geen verwijzing naar een joods /christelijk, islamitisch of andere identiteit, geen ideologieën anders dan democratie, geen rechten van dieren etc.. Afzien in de grondwet van zulke aanvullende elementen is het eerste offer dat wij moeten brengen maken om de minimale overeenstemming te kunnen bereiken die is vereist door een democratie als een vrijwillige onderneming. Gezien de ravage die de introductie van dergelijke elementen heeft veroorzaakt, zal een democraat het eerder als een zegen beschouwen dan een offer. En procedures kunnen en worden misbruikt. Om misbruik te voorkomen of op zijn minst om binnen aanvaardbare grenzen houden, moet hun doel voldoende duidelijk om te dienen als een maatstaf voor evaluatie; hun toepassing moet adequaat worden georganiseerd en gecontroleerd.

De misvatting dat democratie wordt gedefinieerd door haar procedures is de oorzaak van de bekende paradox van de democratie: als wij alle besluiten die zijn genomen in overeenstemming met deze procedures als democratisch zouden accepteren, dan hebben wij bv. geen basis om wetten die discrimineren op basis van ras, godsdienst enz. te verwerpen indien zij zijn aangenomen met een wettelijke meerderheid. Westerse democratieën hebben de neiging hun eigen procedures te gebruiken als lakmoesproef voor een democratische samenleving, en als een basis voor de universele rechten van de mens; daarmee leggen zij aan ontwikkelingslanden systemen op waar deze nog niet aan toe zijn. Het is tevens een uitvlucht om onze verantwoordelijkheid te ontlopen om al diegenen effectief te helpen die het echt willen proberen, bv. door onze  markt voor hun producten open te stellen (zie onder 8). En het iseen  aan bedrog grenzende stelling dat een kapitalistische vrije markteconomie een voorwaarde is voor democratie, en die aldus een bevoorrechte, maar onverdiende, voorrang krijgt boven andere rechten en overwegingen die voortvloeien uit de democratische beginselen.

7) De taken van de overheid in een democratie.

De staat heeft alle taken te vervullen die hem zijn opgedragen door de burgers, zolang zij voldoen aan deze voorwaarden vermeld in hoofdstuk 5.  Sommigen taken volgen  rechtstreekse uit de keuze voor democratie en moeten worden uitgevoerd om haar te doen werken  en hebben voorrang boven alle anderen. Deze taken zijn:

  • - Een gegarandeerd bestaansminimum voor allen
  • - Zorgen voor co-existentie, de bescherming van de burgers en hun samenleving. Dat is de klassieke taak van een staat. Zij moet voorrang hebben boven alle andere taken, want zonder co-existentie geen effectieve samenwerking.  De staat moet de nodige politieke, justitiële, politiële en militaire instellingen creëren en instant houden. De bescherming van haar leden geldt niet alleen hun persoon, maar ook al hun bezittingen voor zover deze hun  bestaan geheel te danken hebben aan de betrokken persoon; beide moeten worden beschermd tegen aantasting door anderen. .
  • - Belastingen dienen te worden geheven naar draagkracht, als een gelijk netto nuts-offer voor iedereen, door een progressieve belasting. Zij begint bij het bestaansminimum en houdt daarna rekening met het feit dat een euro minder een veel groter offer is voor iemand met een minimumloon dan voor een miljonair.
  • - Iedereen moet gelijkelijk kunnen delen in de rijkdommen die behoren aan de samenleving, en die dus niet het eigendom zijn van een individu of groep. Vroeger was dat een natuurlijke rijkdom, met name grond, maar vandaag overheerst vooral de cultuur in de ruimste zin van het woord, inclusief haar producten. Dit behelst onder anderen openbare bibliotheken en de herverdeling van de winst uit het gebruik van gemeenschapsmiddelen, bijvoorbeeld gemeenschappelijke cultuur zoals wetenschap, maar bovenal onderwijs voor iedereen, gratis behalve voor universitair onderwijs, dat kan voor een deel worden gefinancierd via een lening die wordt afgelost door een procentuele opslag op de inkomstenbelasting.
  • - Alle burgers moeten mee kunnen doen aan de gemeenschappelijke onderneming door naar hun beste vermogen daaraan bij te dragen, dus recht op werk. Het is de verantwoordelijkheid van degenen die controle hebben over de productiemiddelen om daar. Aangezien hun bijdrage vrijwillig is, moeten zij een billijke beloning ontvangen voor hun inzet:  ee n minimumloon en een goed functionerende arbeidsmarkt markt. De staat moet monopolie winsten beperken tot het onvermijdelijke minimum, en moet deze winsten, voor zover zij niet kunnen worden vermeden, waar mogelijk afromen en herverdelen. Deelname aan de maatschappelijke besluitvorming vereist dat een ieder toegang heeft tot de informatie over feiten die hij daarvoor nodig heeft en kunnen verwachten dat deze  correct is.

Andere taken kunnen door de burgers worden toegewezen aan de staat voor zover er geen andere organisatie is die beter geschikt is om ze uit te voeren, bijvoorbeeld door het aanbieden van een verzekering tegen werkloosheid. Het kan nooit de taak van de staat zijn om een ander ideaal of beginsel na te streven of te bevoordelen dan het democratische beginsel en de zaken die daaruit kunnen worden afgeleid. Het gelijkheidsbeginsel kan niet worden uitgebreid tot andere zaken dan het recht op een gelijk deel van gemeenschapsmiddelen.

De elementen en voorwaarden van een democratisch inkomensbeleid en verdeling worden bepaald door het democratisch beginsel en de taken van de staat die daaruit zijn afgeleid. De Inkomensverdeling op zich heeft twee tegengestelde gevolgen. Nivellering van het inkomen bevordert de sociale samenhang en verhoogt het totale nut van een gegeven totale inkomen van de samenleving, omdat het nut van een extra dollar voor een persoon afneemt met de hoogte van het inkomen van die persoon. Anderzijds wordt – met uitzondering van een paar van de bovengenoemde gemeenschappelijke middelen – inkomen nooit door de samenleving zelf genereert; dat doen  altijd haar leden. Het totale inkomen van een samenleving hang af van de bereidheid en het vermogen van individuen om welvaart te genereren. Die bereidheid wordt mede bepaald door de inkomsten die het individu ervan kan verwachten. De vakkundigheid en de bereidheid om risico’s te lopen verschillen sterk tussen individuen. De totale baten van de maatschappij zullen het hoogst zijn wanneer de inkomsten van particulieren in overeenstemming zijn met de bijdrage die zij leveren aan de samenleving. Een discussie van wat ‘in overeenstemming met’ betekent overschrijdt het bestek van dit stuk; het zal in elk geval leiden tot een ongelijke inkomensverdeling. Elk beslag, elke belasting op de inkomsten die een individu heeft verworven met legale middelen moet worden gemotiveerd. Het vervullen van zijn verplichting tot bij te dragen aan de financiering van de taken van de overheid op basis van een gelijk offer voor iedereen kan een rechtvaardiging leveren. Andere rechtvaardigingsgronden kunnen zijn het afromen van monopoliewinsten en gratis gebruik van gemeenschappelijke hulpbronnen, voornamelijk cultuur. Wie geïnteresseerd is in het onderwerp word verwezen naar (*). De conclusie is dat de progressieve belasting die op dit moment geldt in de meeste westerse democratieën een redelijke benadering is van een dergelijke verdeling. Dat geldt niet voor een strafbelasting ter wille van de inkomensgelijkheid – zoals die van Nederland na de oorlog -, evenmin als de kwalificatie door rabiate kapitalisten van belastingen als diefstal.

Waarborgen van de voorrang van het democratische beginsel boven alle andere beginselen wordt vaak verwaarloosd. Een klassieke vijand van de democratie is bv. het beroep van religieuze leiders op een hogere autoriteit. Momenteel wordt de democratie bedreigd door een nieuwe ideologie: de heiligverklaring van de vrije kapitalistische markt economie en het vereenzelvigen ervan met democratie. Het logische gevolg is een schier onuitputtelijke voorraad van mensen op of zelfs onder het absolute bestaansminimum die geen motivatie hebben om vrijwillig het huidige contract te onderschrijven. Ook worden de ‘legitieme’ menselijke behoeften gereduceerd tot de op korte termijn verhandelbare goederen en negeert men de ‘externe’ effecten, zoals het milieu en het effect van de nadruk op de concurrentie en consumptie op de moraal en de mentaliteit van de burgers en de samenhang van de samenleving.

8)  Democratie is geen exportproduct.

Zeker niet in de westerse vorm, en niet op korte termijn. De rechtvaardiging van deze stelling is te vinden op verschillende plaatsen in de voorgaande hoofdstukken. De voorwaarden voor  democratie zijn een bestaansminimum, de mogelijkheid om deel te nemen aan het politieke en economische leven, en delen in zin opbrengst. De democratisering van de landen die geen enkele democratische traditie kennen en die nog niet aan deze voorwaarden voldoen kan niet anders dan een evolutionair proces zijn van lange duur. Het vereenzelvigen van de democratie met onze procedures en de kapitalistische markteconomie en het opleggen ervan aan dergelijke samenlevingen is een recept voor een ramp, vooral als – zoals Rusland – het niet is gepaard aan een helder begrip van de aard en de morele/justitiële voorwaarden van de democratie. Het spektakel van de huidige chaos, inefficiëntie en verlies van legitimiteit van onze westerse politieke instellingen nodigt ook niet uit tot imitatie.

In de praktijk beperkt het exporteren van democratie zich tot een beroep op de mensenrechten. De “Universele Verklaring van de rechten van de mens” is het product van het politieke overwicht van de westerse landen in de VN na de oorlog, en kan worden samengevat als “Iedereen heeft het recht op de westerse democratie.” Wie geïnteresseerd is in het onderwerp wordt verwezen naar de knop “The Universal Declaration of Human Rigths” van deze website 
(international).

9) Een funeste combinatie: Politieke partijen en vermengen van feiten met belangen.

Politieke partijen zijn de achilleshiel van de democratie. We willen een welvarende maatschappij. Helaas, welvarend is een subjectief begrip. De welvaart van een gemeenschap moet een of andere vorm zijn van aggregatie van de individuele keuzes. Vaak wordt het vereenzelvigd met het nationale inkomen, maar veel elementen vallen dan de boot. Het is de taak van de politiek om door middel van onderhandelingen de verscheidenheid aan individuele voorkeuren tegen elkaar af te wegen op een wijze die verenigbaar is met democratie en die het besef  bevorderd van een gezamenlijke onderneming. Directe onderhandelingen, directe democratie, is onmogelijk in de huidige dynamische en complexe samenlevingen. Vandaar de invoeging van instellingen, politieke partijen, tussen de regering en het volk. Dat schept een probleem dat we nog moeten oplossen: de sociale instincten, de loyaliteit van individuen zijn in eerste instantie gericht op de onmiddellijke groep waarvan zij deel uitmaken, ten koste van het grotere geheel. De invoeging tussen de burger en de overheid van een instelling met haar eigen belangen is een onfeilbaar recept voor bureaucratisering, het voortrekken van het belang de partij ten koste van het geheel.

Terwijl de regering geacht wordt te regeren in de naam van de hele samenleving, vertegenwoordigen de politieke partijen  voornamelijk hun eigen leden en hopelijk hun kiezers. De vaak harde strijd tussen de partijen om de gunst van de kiezer is onverenigbaar met het bereiken van overeenstemming over het beste beleid. Aangezien alleen gekozen politici deelnemen aan de onderhandelingen, moeten ze concurreren, voornamelijk  met beloftes. Deze fungeren als een eerste bod in de latere onderhandelingen, en indien de politicus voor zijn achterban het maximale uit deze oderhandelingen wil halen, dan kan dat eerste bod nooit het laagste bod zijn dat hij zal accepteren. Een politicus, zelfs een eerlijke, moet altijd meer beloven dan hij kan leveren. Om de schade te beperken, moet hij de ruimte om feiten te manipuleren maximaal benutten. De mogelijkheid daartoe wordt ruimschoots geboden door wetenschappers die ongestraft ‘wetenschappelijke’ feiten leveren die het voorstel hun klant ondersteunen. Bovendien zijn bij elke echte beslissing een aantal burgers beter af dan anderen. De meeste mensen hebben een scheef beeld van winst of  verlies. Winst beschouwen zij niet als een door hun politici hard verdiend succes, maar als hun natuurlijke recht. De verliezers leggen de schuld ervan bij de politici die hun belofte geen stand hebben, ook al is de beslissing rechtvaardig geweest. Gevolg: pseudo-oplossingen die de eisen van het algemeen belang onder het vloerkleed vegen, die echte oplossingen uitstellen tot de volgende regering of generatie of afschuiven op andere landen of organisaties. Dezelfde ruimte over feiten kunnen politici benutten om incompetentie of corruptie te verbergen. Omgekeerd worden in de competitie voor stemmen alle tekortkomingen van de concurrenten, echt of verzonnen, aan de grote klok gehangen. Dit alles ten koste van de samenwerking nodig om tot overeenkomst te komen. Het is een terugval naar de gewelds en machtspolitiek van onze voorouders en geeft de politiek haar slechte naam. Het ondergraaft het besef dat wij deel vormen van een gemeenschappelijke onderneming. Het kan burgers niet overtuigen dat de beslissinggen van politici rechtvaardig kunnen zijn, ook al voldoen zij niet aan al hun wensen, maar dat zij het beste zijn dat ze kunnen verwachten in een wereld die niet geschapen  is voor hun persoonlijke genoegen.

De fundamentele zwakte van de huidige – op partijen gebaseerde – politieke systemen is dat zij macht herintroduceren als middel tot coördinatie. Dat geldt met name wanneer een gewone meerderheid voldoende is om te kunnen regeren en zich twee kampen vormen: regering en oppositie. Winnen wordt belangrijker dan eerlijkheid en overeenstemming. Zoals prof. M. van Schendelen schrijft: het gaat niet om gelijk te hebben, maar om te winnen. Men kan dan niet verwachten dat tegenstanders van een besluit dit vrijwillig zullen accepteren. Zij zullen het zoveel mogelijk saboteren, en als ze aan de macht komen, soms willen herroepen. De besliskunde verteld ons dat  regeren door afwisselende meerderheden praktisch een garantie is voor korte termijn pseudo-oplossingen en/of het vullen van een gat door het graven van een ander, kortom een falende overheid. Daarbovenop komt dat de huidige media en communicatie maatschappij politici in staat stelt om massa’s te mobiliseren met demagogie, culminerend in het laster en de leugens van de Tea Party in de VS. Een oplossing zou kunnen zijn om alle partijen ministers te laten leveren in verhouding tot hun stemmen; helaas is dit onverenigbaar met hun rol als toezichthouders van de regering. Aanwijzen van uitsluitend niet-partijgebonden ministers zou de situatie kunnen verbeteren, maar dit lijkt nauwelijks uitvoerbaar. Voorstanders van directe democratie tonen een totaal gebrek aan realisme en historische kennis.

Totdat een bewezen beter alternatief is ontwikkeld, moeten we de tekortkomingen van de huidige systemen erkennen en middelen ontwikkelen om de meest schadelijke ervan te compenseren. Een pragmatische centrum partij die zuiver is opgericht voor dat doel, bv. D66, had succesvol kunnen zijn. Helaas is de geschiedenis van D66 niet bemoedigend. Ze negeerde een voorstel voor een diepgaand onderzoek van het wezen van democratie, ten gunste van een aantal snelle, voor de hand liggende en vaak controversieële procedurele verbeteringen en stortte zich meteen in de politiek strijd, waardoor zij een deel van het probleem werd. Californie zal voor de verkiezingen van hun congresleden in november 2012 een nieuw systeem invoeren. In de voorverkiezingen van de Republikeinen mogen Democraten meestemmen, en andersom, in de verwachting dat zij dan hun meest redelijke kandidaten zullen voordragen. Zij hopen aldus de neiging naar populistisch extremisme van het huidige systeem te keren dat de VS vrijwel onregeerbaar heeft gemaakt. Zwitserland heeft dit probleem grotendeels ondervangen door alle grote partijen samen een regering te laten vormen. Een systeem waarbij de regering alle partijen omvat die het beginsel van regeren via overeenkomst  accepteren is verenigbaar met de meeste grondwetten. De partijen zullen dan ministers kunnen leveren naar rato van hun zetels. Dat zou de rol van de parlementsleden als toezichthouder van de regering kunnen ondermijnen; ook moeten wij onderhandelingsstrategieën voorkomen of afstraffen die een echte en faire overeenkomst beletten. Ingewikkeld en vol valkuilen, maar alles is beter dan een voortzetting van de huidige onmacht en trieste klucht. Dat werk kan men niet aan de politici overlaten, het zijn geen Münchhausen’s die zich aan hun eigen haren uit het moeras kunnen trekken; zij zijn ook niet daarvoor gekozen. Het is de taak van politieke wetenschappers en filosofen die bereid zijn om de strenge regels van democratische argumentatie te respecteren.

Door de uitzonderlijk gunstige omstandigheden waarin zij waren geboren konden de Westerse democratieën zich ontwikkelen en bloeien ondanks politieke partijen. De huidige democratieën mogen dan – zoals Churchill al zei – de minst slechte van alle systemen zijn, maar dat is geheel ontoereikend om de uitdagingen van deze tijd aan te kunnen. Het feit dat deze problemen zich voordoen in alle vormen van democratische besluitvorming – van districtenstelsel tot evenredige vertegenwoordiging en alles daartussen – illustreert dat de zwakte van de huidigeg meerpartijen politiek niet incidenteel is, maar inherent is aan 0het systeem. Zich bewust van de inherente beperkingen van de partijen, benoemen de Zwitserse een ‘dictator’ in het geval oorlog dreigt; zijn bevoegdheden worden ingetrokken nadat de dreiging is verdwenen.

Hoewel het probleem incidenteel wordt onderkend en er wordt gezocht naar een oplossing, is er nog geen spoor te vinden van een serieuze en gezamenlijke inspanning van politieke wetenschappers en filosofen om een alternatief systeem te  ontwikkelen. China heeft thans een niet-ideologisch eenpartij systeem waarin de partij in essentie een instelling is voor het organiseren van de sociale besluitvorming gericht op de efficiëntie ervan. Wellicht zal het zich later in de richting ontwikkelen van een democratie gebaseerd op overeenkomst wanneer de voorwaarden voor democratie, bv. een minimale welstand voor allen, zijn bereikt. om te voldoen aan de beginselen van rechtvaardigheid  die volgen uit de gelijke autoriteit vereist door democratie. Dat zou een boeiend experiment worden.

Het vermommen van belangenconflicten als onenigheid over feiten staat het bereiken van een echte overeenstemming in de weg en is het meest wijdverspreide en succesvolle middel om het algemene belang ondergeschikt te maken aan de partijpolitiek. Wat het huidige systeem ook moge zijn, wij kunnen en moeten zijn effectiviteit verhogen door het bestrijden daarvan. Zie pargraaf 11.

10) Democratische argumentatie.

Elke beslissing bevat een doel, in een democratie de belangen van een individu of groep, en vereist het vaststellen van de middelen om dit doel te bereiken, en dus kennis van de daarvoor relevante feiten. In een democratie moet een akkoord over deze zaken worden bereikt door argumentatie die aan het democratische beginsel moet voldoen. Het tegen elkaar afwegen van belangen geschied via onderhandelingen, in het geval van publieke zaken door de politiek. Om democratisch, om eerlijk te zijn moeten de burgers de daarbij gehanteerd argumenten over de middelen correct kunnen evalueren in termen van hun eigen waarden en belangen. Zij kunnen dit alleen doen als de uitspraken van de feiten in de argumentatie zo ‘war’ zijn als mogelijk, dat zij niet vertekend zijn door de belangen en waarden van andere personen, dat zij in deze zin zo objectief mogelijk zijn. Objectiviteit bij het vaststellen van feiten in de besluitvorming is een algemene voorwaarde voor het maximaliseren van de kans dat het beoogde doel wordt bereikt. Totale objectiviteit is zelden mogelijk; in de praktijk betekent het streven naar objectiviteit van de uitspraken over feiten de eliminatie – voor zover mogelijk – van alle subjectieve elementen uit deze uitspraken, met inbegrip van een beroep op gevoelens. Voor zover dat niet kan, moeten subjectieve elementen expliciet worden vermeld. Om aan deze voorwaarde te voldoen, moeten de verbanden die tussen de feiten worden gelegd gehoorzamen aan de regels van de formele talen van logica en wiskunde. Aan de eis van maximale objectiviteit kan alleen worden voldaan indien in de maatschappelijke besluitvorming de vaststelling van feiten wordt gescheiden van het afwegen van belangen, een voorwaarde die in de particuliere onderhandelingspraktijk de regel is, maar in de  politieke praktijk niet eens is erkend, laat staan dat er in de aan wordt voldaan. Als men dit wel erkent, wie zou dan verantwoordelijk moeten zijn voor het verstrekken van feiten? Toch allereerst de wetenschap.

11) De maatschappelijke verantwoordelijkheid van de wetenschap.

Om het democratische gehalte van de politieke argumentatie te waarborgen moet iedere burger die een fout, gewild of niet, in de vaststelling van de feiten tegenkomt, dit bekend kunnen. maken en zo mogelijk te herstellen. Het merendeel van de feiten die nodig zijn voor maatschapeplijke besluitvorming in een moderne samenleving zijn niet beschikbaar voor directe waarneming. We moeten wetenschappelijke en filosofische theorieën en bevindingen inzetten. Zoals gezegd kan een politicus vandaag de dag vrijwel altijd een erkend en vaak vooraanstaande geleerde vinden om hem de feiten te leveren die zijn beleid ondersteunen of dat van een concurrent ondermijne.n

In de natuurkunde en scheikunde zijn de meeste wetenschappelijke wetten en theorieën algemeen aanvaard  omdat ze  met succes de confrontatie met de feiten hebben doorstaan. Zelfs dan laat de toepassing in bepaalde gevallen ruimte om een conclusie de gewenste draai te geven. De klimaatdiscussie is daar een actueel voorbeeld van. In de sociale wetenschappen zijn er weinig theorieën en feitelijke stellingen die niet kunnen worden betwist, en nog minder die op basis van de confrontatie met de feiten een onbetwistbare conclusie toelaten. Wel is het  mogelijk om, door analyse van haar axioma’s en deducties, een theorie of uitspraak over feiten ongeldig te verklaren. Diezelfde analyse – in combinatie met de beschikbare feiten – maakt het meestal mogelijk om de ‘overlevenden’ te rangschikken volgens hun waarschijnlijkheid, op z’n minst in termen van “onwaarschijnlijk, waarschijnlijk of onbeslisbaar”. De wetenschap heeft haar verantwoordelijkheid voor deze selectie niet erkend, laat staan aanvaard. Om deze taak te vervullen moeten wetenschappers en filosofen vertrouwd zijn met de methodologie voor de evaluatie van de pr0ducten van de wetenschap, zij moeten op de hoogte zijn van de huidige relevante kennis en haar  kunnen en begrijpen, en zij moeten haar vertalen in een taal  die kan worden begrepen door een redelijk ontwikkeld publiek. Om objectief te blijven en als als zodanig worden te worden erkend, moeten zij onafhankelijke werkgroepen vormen en hun conclusies voorzien van een specificatie van hun betrouwbaarheid die door hun allen onderschreven is.

Een vrome wensdroom? Nee. Democratie streeft niet naar volmaaktheid; zij is de kunst van het haalbare en wij moeten het – zoals met vrijwel alles op deze wereld – doen met de hoop dat dit voldoende is. Die hoop berust op twee veronderstellingen:
1) Dat een werkbaar aantal wetenschappers bereid en in staat zijn om dat werk te doen omdat zij hun democratie koesteren, en een deel van hun tijd aan een dergelijk project willen besteden zonder zicht op geld of roem, zonder vooroordelen, louter en alleen omwille van een gezonde, bij voorkeur democratische, samenleving. Zo niet, dan is democratie als uitdrukking van de wil van haar burgers gedoemd om onder te gaan, een mogelijkheid waarvoor alleen onverbeterlijke optimisten hun ogen kunnen luiten.
2) Dat ze in staat zijn om overeenstemming te bereiken. Buiten de natuurkunde is er nauwelijks een onderwerp waarover alle wetenschappers het eens zijn. Uitblijven van een akkoord kan slechts twee oorzaken hebben. Het object waarop overeenkomst is gezocht is door zijn aard niet beslisbaar, zelfs niet als meer of minder waarschijnlijk, gegeven de huidige stand van onze kennis. Wel kunnen wij dan wel eens worden dat het “onbeslisbaar” is. De andere oorzaak is het gebrek aan de wil om tot overeenstemming te komen. Bewijs van een gebrek aan goede wil is vaak mogelijk en rechtvaardigt de uitsluiting van die persoon uit de groep. Er zullen altijd beslissingen moeten worden genomen zonder voldoende kennis over de te verwachten gevolgen van alle beschikbare beleidsalternatieven. De conclusie dat het onderwerp onbeslisbaar is, is ook kennis; het besluit zal dan daarmee rekening moeten houden en zich richten tot de beschikbare theorieën, regels en praktijken voor het omgaan met een dergelijke situatie, bijvoorbeeld door een referendum. Zelfs dobbelstenen gooien is te verkiezen boven elk argument dat een bedrieglijke veiligheid belooft, waardoor de kans vermindert op het kiezen van een beter alternatief.

Dit voorstel is niet onrealistisch. Ten eerste betreft het niet alle besluiten. Het betreft alleen diegenen waar  geen overeenkomst over de feiten mogelijk blijkt, en besluiten waar de  overeenkomst over de feiten evident “politiek” is. Alleen al het bestaan van een effectieve controle op de juistheid van de uitspraken over feiten verhoogt de kosten van het manipuleren van feiten, met name als er een register wordt bijgehouden van de daders. Evidente minachting voor realisme kan vaak met weinig moeite aan de kaak worden gesteld, bijvoorbeeld zoals recentelijk de verwachting dat de stabiliteit van de euro kan worden gegarandeerd door een financiële boete op het overschrijden van een vast en derhalve conjunctuuronafhankelijk maximum percentage van het budgettair tekort, te betalen door een economie die door dit overschrijden al bewezen heeft, deze niet te kunnen betalen. En het voorstel is niet onrealistisch, want het belooft niet de perfectie, ‘de waarheid’, maar voornamelijk het elimineren van bewezen onjuiste theorieën en uitspraken over feiten, en waar mogelijk een rangschikking in temen van waarschijnlijkheid. Het pretendeert niet te leiden tot een of ander optimum, het wil alleen trachten, de rampen te voorkomen die worden veroorzaakt door een onjuiste maar te voorkomen voorstelling van de feiten. Men moet het zien als een evolutionair proces: elk succes vergroot de autoriteit van zulk een groep en de kans op verdere inzet ervan. Vervullen van deze functie is dus theoretisch mogelijk. Wie meldt zich?

12) CONCLUSIE: democratie moet worden verdiend.

Democratie heeft een prijs. Zij zal slechts gedijen als een voldoende aantal mensen, velen van hen wetenschappers en filosofen, niet alleen democratie wensen maar ook echt willen, en bereid zijn om de prijs daarvoor te betalen en zich de  inspanningen en vooral samenwerking getroosten die nodig zijn om de plichten te vervullen die verbonden zijn met het recht om in een democratie te leven. Om te beginnen met het onderwerp van deze site: het eens worden over een werkbare en effectieve definitie van democratie, met inbegrip van alle gevolgen die direct kunnen worden afgeleid uit deze definitie, en het bewaken van het democratisch gehalte van de politieke arena, met name de daarin gebruikte feiten. Dan kan democratie het hoofd bieden aan ideologieën die haar bedreigen, met name de politieke islam, de vereenzelviging van de democratie met de kapitalistische vrije markt economie en vooral het chaos en verval dat haar van binnenuit bedreigt.

13) Andere onderwerpen.

A) Immigratie en de politieke islam. De politieke islam is openlijk imperialistisch en onverenigbaar met de democratie; conflict is daarom onvermijdelijk. Degenen die vertrouwd zijn met de geschiedenis van het christendom vanaf de kruistochten tot de renaissance kan de gelijkenis niet ontgaan. Een conflict met een totalitaire tegenstander kan soms – op zijn best tijdelijk – worden geneutraliseerd door middel van onderhandelingen. Als de democratie is inderdaad de natuurlijke, logische toekomst voor alle ontwikkelde samenlevingen, en omdat de militaire macht van de niet-islamitische landen veruit superieur is, vormt de politieke islam op dit ogenblik (2014) geen ernstige externe bedreiging voor de democratieën. Hoe zit het met een interne gevaar?

In Europa zien we vaak de immigratie van moslims met hun superieure vruchtbaarheid als een interne dreiging. En terecht, zolang we democratie slechts zien in termen van procedures en wetten, en niet primair als een geheel van beginselen, cultuur en moraal dat theocratie uitsluit. Om de immigratie tijdbom te bezweren, moeten wij deze zaken – met name de scheiding tussen geloof en politiek – uitleggen aan de kandidaat-immigranten, en hun uitdrukkelijke bevestiging eisen van de aanvaarding daarvan als voorwaarde voor immigratie en erop toezien dat aan de voorwaarden voor een succesvolle integratie is voldaan. Allereerst moeten wij de stress te erkennen die de immigratie kan leggen op autochtonen en ze helpen daarmee om te gaan.

Immigratie veroorzaakt altijd problemen. Het wrijvingsloze  functioneren van een samenleving drijft op de ‘natuurlijke’, geïnternaliseerde gemeenschappelijkheid van waarden en gedrag die in de kindertijd zijn verworven door hun (veelal onbewuste) imitatie van anderen en door het onderwijs. Alle menselijke wezens delen – in verschillende mate – sommige genetisch bepaalde neigingen en vermogens, bijvoorbeeld imitatie en inlevingsvermogen, die de integratie van nieuwkomers kunnen bevorderen maar deze ook kunnen belemmeren indien zij zijn gericht op de eigen afkomst. Een andere neiging die de mens deelt met de meeste sociale wezens is een primaire reactie van angst en afwijzing t.o.v. wat vreemd is; overwinning ervan eist een grondige opvoedende inspanning van zowel immigranten als autochtonen. De kosten en inspanning van de noodzakelijke integratie moeten na hun beste vermogen worden gedragen door zowel autochtonen en allochtonen. Immigratie zal alleen slagen als het uiteindelijke voordeel voor de hele maatschappij deze kosten rechtvaardigt. En – zoals bij alle ondernemingen – gaan de kosten voor de baat, hetgeen in de huidige korte-termijn instelling ongunstig is voor de immigratie. In elk geval heeft de politieke en intellectuele elite het probleem laten zweren totdat het vrijwel onoplosbaar is geworden en laten kaapen door demagogen zoals Le Pen in Frankrijk en Wilders bij ons. Al een kwart eeuw geleden is voorspeld dat als de Centrumpartij een leider van formaat had gehad, zij twintig zetels in de kamer zou hebben veroverd.

B) De economie als wetenschap; zij moet worden gered uit het huidige ideologische moeras door haar een solide empirische basis te geven. Economy is slechts één van de vele aspecten van de mens en moet worden ingepast in het geheel van het mens-zijn, door het herijken van al haar axioma’s op basis van de huidige empirische kennis over de andere aspecten. Twee axioma’s in het bijzonder moeten worden onderzocht:
a) de behoeften en middelen, met inbegrip van hun beperkingen, die de economie wordt verondersteld tegen elkaar af te wegen.
b) het axioma van de rationeel handelende burger.

ad a) De wetten van de thermodynamica stellen een algemeen geldende grens aan het mogelijke: niets ontstaat of verdwijnt uit zichzelf, geen proces kan doorgaan  zonder energie uit zijn omgeving te verbruiken: geen wonderen, en geen ‘perpetuum mobile’. Zo evident als dat lijkt, deze wetten zijn blijkbaar niet tot iedereen doorgedrongen, een omissie die de politiek en de financiële wereld in staat stelt om wonderbaarlijke win-win oplossingen te verzinnen voor wat in werkelijkheid nul-som (zero-sum) spelen zijn waar de winst van de een wordt bereikt ten koste van een overeenkomstig of groter verlies voor een ander (een voorbeeld hiervan is de financiële tovenarij die onze huidige crisis heeft veroorzaakt of ten minste verergerd, en die voorspelbaar was en ook is voorspeld door de schaarse realistische economen). Economen zijn ook vertrouwd met het begrip van de onbedoelde en vaak over het hoofd geziene gevolgen van een bepaalde economische beleid, de ‘externe effecten’, maar er wordt weinig mee gedaan. Sommige externe effecten, bijvoorbeeld op ons milieu, zijn zo prominent aanwezig in onze kranten en tv dat het onmogelijk is geworden om ze te negeren. Andere externe effecten zijn nog niet eens onderkend, bv. de effecten van een economisch systeem op het functioneren van de democratie, en omgekeerd. Ook de bovengenoemde taken van de staat maken er geen deel uit van de mij bekende economische modellen, voornamelijk omdat in de politieke filosofie en  praktijk nog geen consensus over deze taken is bereikt. De effecten van concurrentie op de legitimiteit en samenhang van de samenleving worden over het hoofd gezien. Tegenover de voordelen van globalisering staat het nadeel dat – net zoals slecht geld goed geld verdringt – slecht beleid van sommige landen een goed beleid in anderen kan belemmeren. In Europa weten  wij er alles van. Bepaalde maatregelen om rampen te voorkomen moeten voor de hele betrokken gemeenschap en soms wereldwijd worden ingevoerd. Een mogelijkheid om  tot overeenstemming te komen is – na analogie van Locke’s body civil – om een open groep te vormen van ‘instemmers’ en de anderen uit te sluiten de voordelen die het lidmaatschap met zich mee brengt.

ad b) Het klassieke concept van een rationeel handelend mens, beroofd van zijn sociale dimensie maar begiftigd met een schier wonderbaarlijke scherpzinnigheid en kennis, wordt geregeld ter discussie geteld. De huidige definitie van een rationeel besluit is dubbelzinnig en irrealistisch (een discussie hierover is te vinden op deze site, International, onder de titel “Towards a rational application of Rational Choice Theory). Dat dit klassieke concept irrealistisch is wordt wel onderkend, maar dat heeft geleid tot de verkeerde conclusie, namelijk dat de rede geen rol mag spelen in de economische theorie, in plaats van te zoeken naar een realitisch concept van de rede en een fundamentele herziening van de economische theorie. Om de economie in te passen in het beeld van de hele samenleving en om adequate methoden en modellen te ontwikkelen voor het waarborgen van de leefbaarheid en de welvaart van een democratische gemeenschap, moeten we een model hebben van een menselijke samenleving als een levend systeem dat – zoals voor alle levende systemen – moet zorgen voor het behoud van de bron van die welvaart, bv. ons milieu. De (wiskundige) structuur van dat systeem toont dat dit een gezamenlijke inspanning moet zijn van alle betrokken disciplines; dat impliceert de noodzaak van een coördinerende en integrerende functie die nog niet eens is erkend, laat staan vervuld.

C) Pragmatisme versus opportunisme. Pragmatisme is het verwerpen van alle dogma’s behalve het democratisch beginsel; elk doel of middel is toegestaan zolang het niet met dat beginsel in tegenspraak komt. Zulk een pragmatisme is de kern van democratie. Het opent ook de deur tot opportunisme. De democratische pragmaticus geeft voorrang aan het bereiken van een democratische gemeenschap boven andere doelen en beginselen omdat democratie zijn opvatting belichaamt van wat het betekent om een sociaal wezen te zijn. De opportunist stelt zijn eigen persoonlijke doelen boven alle andere overwegingen, incluis democratie. Tot op zekere hoogte moeten wij allen opportunisten zijn om te overleven. Toch heeft ook de opportunist belang bij het beschermen van democratie, omdat deze de maximale ruimte beloofd voor de ontplooiing van het individu die in een gemeenschap mogelijk is zonder deze te ondergraven. Hij zou zich dus ook als goede burger gedragen indien er geen mogelijkheden waren om zich daaraan te onttrekken en zich gedragen als – wat economen noemen – een ‘free rider’: wel de lusten maar niet de lasten. Dat opportunisme is kortzichtig maar menselijk, zeker in onze staccato maatschappij. Het toppunt van verwerpelijk opportunisme vormen de valse profeten van “vrijheid boven alles”, “hebzucht is goed”, “belasting is diefstal” die door demagogie en misbruik van de vrijheid van meningsuitingen of van hun financiële macht het politieke proces ondermijnen zodat zij straffeloos de politieke macht kunnen grijpen, of hun kas kunnen spekken met onoorbare, want ondemocratische praktijken. Dezelfde groep die de betrouwbaarheid van de in de argumentatie aangevoerde feiten moet waarborgen zou ook in het bestrijden daarvan een rol kunnen spelen.

(*)(Voor filosofen. De notie van democratie als een vrijwillige onderneming is in overeenstemming met Rawls contract theorie, blz. 15, en zijn praktische conclusies zijn redelijk vergelijkbaar. Maar hij begint met een oorspronkelijk  contract. Voor de rechtvaardiging van de bepalingen daarvan heeft hij zijn toevlucht moeten nemen tot een fictieve oorspronkelijke positie en rationele beslissers die een bepaalde besluitvormingsregel hanteren. Zijn argumenten zijn veel te ingewikkeld en abstract om door een meerderheid van de burgers te worden begrepen, en zeker om te worden aanvaard. Daarom heeft hij, ook naar eigen zeggen, geen rechtvaardiging kunnen vinden voor het afdwingen van de naleving van de wetten die van zijn beginselen zijn afgeleid. Toepassing van het hier voorgestelde democratisch beginsel begint  op dezelfde wijze als al onze contracten, namelijk met het vaststellen van haar doelstelling (een leefbare en welvarende samenleving) en dan met de vaststelling van de autoriteit (gelijke autoriteit voor alle burgers) die nodig is om de naleving van de clausules te waarborgen die anders een dode letter zouden zijn. Zoals bij alle contracten, zijn doelstelling en autoriteit de enige onveranderlijke bepalingen van het contract. Dit programma bevat zijn eigen rechtvaardiging van de afdwingen van de naleving ervan, de achilleshiel van Rawls’. En het kan worden gerechtvaardigd en uitgelegd zonder moeilijke kunstgrepen. Bepaalde bepalingen kunnen er rechtstreeks van worden afgeleid. Anderen zijn onderwerp van onderhandelingen tussen de burgers, een evolutionair proces dat – net als bij alle levende systemen – een open einde heeft. Uit het beginsel van subjectieve gelijkheid volgt zowel de eis van autonomie en van gelijke autoriteit voor iedereen. Het omvat derhalve ook het algemeen aanvaarde, maar te individualistische beginsel “van het gelijke recht van iedereen op het meest uitgebreide vrijheid die verenigbaar is met de soortgelijke vrijheid voor anderen.” Het sociale aspect van de mens (en Rawls’ het tweede beginsel) wordt vertegenwoordigd door de eerste doelstelling van het contract (een levensvatbare en zo welvarend mogelijke samenleving) en door de vrijwillige samenwerking die gelijke autoriteit  met zich meebrengt; dit sociale aspect wordt geen recht gedaan door de aanhangers van een puur individualistisch beginsel zoals bv. de protagonisten van de minimale staat en vrijmarktfanatici.