Bijna dood en nog niets geleerd

Door: Peter Pappenheim

Bijna dood en nog niets geleerd.

“Bij de huidige werkwijze blijft D66 een grabbelton die meedeint op de golven van de mode, tussen grote overwinningen en grote verliezen, totdat zij door een te groot verlies geheel zal worden weg gevaagd.” Deze zin is uit een stukje dat ik bij het sleutelcongres in 1999 heb ingediend, zonder succes. D66 blijft koppig de meest elementaire regel van bedrijfsvoering van een publieke organisatie negeren: een bedrijf is van belanghebbenden (bij ons de leden), maar het is er voor de klanten, in ons geval de kiezer. Alleen het bestuur is er voor de leden. De basis van  onze organisatie en beleid moet zijn de rol die wij willen spelen in de politiek, wat wij voor de kiezer willen betekenen, in termen die voor hem betekenis hebben. Wij hebben consequent geweigerd om dit vast te stellen en zijn daardoor ook intern verdeeld. Gevolg: een zwalkend beleid en optreden. Streefden wij eerst naar een progressieve volkspartij met de PvdA, nu willen wij de ‘echte’ liberaal spelen.

Een beetje democraat en bestuurder zal bij de kiezer na gaan of zijn boodschap overkomt. Dat heb ik onmiddellijk gedaan nadat ik in 1968 lid werd van het bestuur van de afd. Rotterdam. Resultaat: “onduidelijk, een bijwagen van de PvdA”. De flirt met de PvdA liep op de klippen, en het beeld van D66 veranderde daarna in “opportunisten, een stelletje aardige amateurs die vissen in de troebele wateren tussen de PvdA en de VVD”. Dat ‘aardige’ is er nu af. Onze goede jaren waren te danken aan zwevende kiezers, zoals een onderzoek naar kiezerstrouw heeft bewezen. Percentage trouwe kiezers: CDA 66%, PvdA 46%, VVD 38%, GroenLinks 39%, D66 16%. Toen in 1998 onze identiteit aan de orde werd gesteld, zag ik een nieuwe kans. Helaas, de resulterende “Uitgangspunten” zijn een verzameling leuke dingen die door iedereen kunnen worden onderschreven. Zonder een meer principiële en onderscheidende invulling bevestigt de kreet “sociaal-liberaal” slechts boven geschetst beeld.

De identiteit van een duurzame partij wordt in hoofdzaak bepaald door haar maatschappijvisie en achterban, intern te vertalen als centraal doel en doelgroep. Zij vormen haar bindende en richtinggevende elementen. Voor een duurzame en minstens middelgrote partij moeten doel en doelgroep elkaar dekken. Conclusie: Wij moeten aan de “Klim” een zesde punt toevoegen: het vaststellen van ons centrale thema en onze doelgroep.

Wij zijn opgericht om de werking van onze democratie te verbeteren. Als zodanig zijn wij bij de kiezer bekend, en daarvoor ben ik lid geworden. Als dat niet meer geldt, dan eisen eerlijkheid en fatsoen dat de kiezers en de leden daarvan op de hoogte  worden gesteld. Als het nog steeds geldt, dan moeten wij aan daaraan een inhoud geven die ook voor de kiezer begrijpelijk is, zoals al in 1968 is geëist in een resolutie die bij acclamatie is aanvaard en door het bestuur is overgenomen, maar nooit uitgevoerd. Een definitie van democratie, die haar vaders uit de verlichting niet verloochent en stoelt op een mensbeeld dat recht doet aan onze huidige situatie en kennis, kan een basis leveren om aan het begrip sociaal-liberaal een inhoud te geven die ons een duidelijke plaats en functie geeft tussen de PvdA en de VVD. Plus een daarbij horende achterban: de werknemers met kennis-kapitaal. Wij zijn wel eens een seculier CDA genoemd. Bij de laatste verkiezingen heeft deze partij stemmen gekregen van onkerkelijken die op zoek waren naar een ‘redelijk’ alternatief, naar een evenwicht tussen de sociale en individuele aard van het menselijk individu. Dat is precies de taak van een welbegrepen democratie en dus van D(emocraten)66. In een artikel voor Idee, “Een toekomst voor D66, is dat nader uitgewerkt.

Peter Pappenheim