Dekt DEMOCRATEN nog de lading van D66?

Door: Peter Pappenheim

Dekt ‘DEMOCRATEN’ nog de lading van D66?

Willen wij werkelijk democratie? Niet alleen wensen, maar ook willen? Dan moeten wij (zie Kant) bereid zijn om aan dat doel prioriteit te geven over andere wensen. D66 werd opgericht om de werking van onze democratie te verbeteren. Daarom werd ik in 1968 bestuurslid van de afdeling Rotterdam. Al snel bleken binnen onze partij diverse opvattingen over democratie om voorrang te strijden. Daardoor ontbrak het ons aan innerlijke samenhang en waren wij voor de kiezer onduidelijk. Een resolutie in 1968 van de afdeling Rotterdam om daarin te voorzien werd bij acclamatie aanvaard, door het bestuur overgenomen maar ondanks jarenlang doorlopend aandringen nooit uitgevoerd. Bij ontstentenis daarvan hebben wij ons beperkt tot procedures, maar dat zijn slechts middelen tot een doel. Zonder ondubbelzinnig en ‘operationeel’ doel zwalkt D66 stuurloos rond op de golven van de mode, van bijwagen van de PvdA (samen een progressieve volkspartij) naar de huidige status van liberaal als een ongewenste bijwagen van de VVD.

Ik ben toen zelf aan het uitvoeren van de resolutie begonnen en in de sociale filosofie gedoken. Tot mijn verbazing bleek daar geen algemeen aanvaarde en werkzame definitie van democratie te vinden, nog enige poging om tot overeenstemming te komen. Daar wilde ik mij niet bij neerleggen. Sinds de naadloze overgang van de tweede wereldoorlog in de koude oorlog ben ik geobsedeerd door de vraag: “Waarom kunnen wij het atoom temmen maar zijn onmachtig om onze intermenselijke verhoudingen op een enigermate aanvaardbare wijze te regelen?” Ik had geen voorkeur voor een bepaalde maatschappijvisie, maar wel een on-onderhandelbare voorwaarde: ik verwerp elke aanspraak van een individu of groep op het recht om mij voor de schrijven wat ik moet denken en doen, en waar mijn belangen liggen. Alleen democratie zou aan deze eis te kunnen voldoen, maar de effectiviteit van de politiek in de westerse democratieën bleek totaal onvoldoende (vandaar D66). ‘Democratie’ werd zelfs gekaapt door de puur dictatoriale ‘volksdemocratieën’ en thans door theocratieën zoals Iran en Maleisië die zich beroepen op een kiezers-mandaat.

Ik wist alleen dat ik niets wist. Een voordeel, want ergens in de laatste twee eeuwen is het object van de filosofie verschoven. Bij de Griekse filosofen en tot en met de Verlichting was dit object de denkende mens – incluis de natuur waarin hij moest leven – met als doel hem daarbij te helpen. Thans lijkt het onderzoeksobject te bestaan uit wat spraakmakende filosofen hebben gezegd. De toepassing en inbedding in de huidige wetenschappelijke kennis over mens en natuur is daarvan het kind van de rekening geworden. Ik heb de ‘socratiaanse’ weg gevolgd en – geheel in de geest van de Verlichting – alle fundamenten van haar contract theorie kritisch bekeken op de dwingendheid van de gelegde verbanden en op consistentie met de huidige kennis van mens en natuur. Deze weg volgend stuit men op de relatie tussen maatschappelijke orde en rechtvaardigheid. In navolging van Locke en Kant zoekt ook Rawls naar een zelfstandig criterium voor rechtvaardigheid. Te vergeefs. Rousseau heeft het goed gezien: wat rechtvaardig is wordt bepaald door wie daartoe de autoriteit, de macht, heeft. (Helaas is hij bij de uitwerking daarvan de mist ingegaan). De rede en huidige kennis leiden tot de conclusie dat rechtvaardigheid een middel is voor het realiseren van een maatschappelijke orde en daarvan moet worden afgeleid. Elke maatschappelijke orde ontstaat door de behoefde aan samenleven en samenwerken. Samenwerken veronderstelt een doel en beiden vereisen een autoriteit voor het nemen en afdwingen van maatschappelijke besluiten. Tezamen bepalen zij de maatschappelijke orde. Toegepast op democratie leidt dit tot een definitie die algemeen aanvaardbaar moet zijn en een goede basis kan leveren voor het doel, het motto, de vlag van D66.

Betekenis voor D66: Democraat=redelijk=sociaal-liberaal.

DEMOCRAAT. Een specifiek kenmerk van democratie is dat deze samenwerking vrijwillig moet zijn. Dat roept de notie op van een contract. De algemene functie van een contract is om door vrijwillige samenwerking een doel te bereiken dat buiten bereik van de individuele leden ligt, en begint met het vaststellen van dit doel. Het doel van het sociale contract moet door alle leden van een democratie vrijwillig worden aanvaard en kan derhalve alleen een algemeen doel zijn: een levensvatbare en zo welvarend mogelijke gemeenschap. Als het doel vaststaat, worden de modaliteiten, de procedures, bepaald voor het vaststellen en wijzigen van de concrete bepalingen van het contract, met name voor toe en uittreden. Het contract kan aldus doorlopend worden gewijzigd na gelang de contractanten het nodig vinden. Dat geldt ook voor nieuwkomers. En tenslotte wordt vastgelegd hoe het nakomen van het contract kan worden afgedwongen, waar de uiteindelijke autoriteit ligt. Vrijwillige aanvaarding van het sociale contract laat maar een oplossing toe: de uiteindelijke autoriteit moet gelijkelijk over alle burgers zijn verdeeld. Dat is de het specifieke en unieke kenmerk van democratie: als persoon, in zijn hoedanigheid als contractant, als subject, zijn allen gelijkwaardig. Alle democraten onderschrijven het democratisch beginsel: een levensvatbare en zo welvarend mogelijk gemeenschap die de subjectieve gelijkwaardigheid (zie J. Glastra van Loon) van iedere burger, zijn recht op het bepalen van zijn eigen idealen en belangen (zijn autonomie) respecteert. Het bevat zijn eigen rechtvaardiging, want wie het verwerpt daarmee ook de bescherming verliest die het hem had kunnen bieden. Maar het is geen ‘natuurlijk’ gegeven: democratie gedijt alleen waar voldoende mensen zich ervoor inzetten.

Alle andere beginselen met algemene geldigheid, b.v. rechtvaardigheid en zelfs de publieke moraal, moeten zijn afgeleid uit het democratisch beginsel. Meer specifieke zaken moeten worden ingevuld door de burgers van het ogenblik, c.q. door de politiek, op basis van procedures die zijn afgeleid van deze beginselen,. Haar kunst (zie Madison) is om door onderhandelen een beleid te vormen dat daarmee in overeenstemming is en dat door allen kan worden aanvaard als het beste dat voor hun bereikbaar is in een wereld die niet specifiek voor hun eigen belangen is geschapen. Het democratische beginsel is in een boek uitgewerkt (*). In een democratie ontstaan alle maatschappelijke besluiten in een discussie die doeltreffend en democratisch moet zijn. Dit boek gaat over de voor zulk een discussie nodige basis en voorwaarden, met name een gedeeld doel, kosmologie en taal (met name concepten en regels van argumentatie), zoals zowel het gezond verstand als b.v. Jurgen Habermas ons vertellen. Het is een voorstel dat ik gaarne wil inruilen voor eentje die beter is bevonden op basis van de regels van democratische argumentatie. Maar ignoreren van deze zaken is geen optie voor een echte democraat.

Het blijkt dat met het democratisch beginsel en daaruit afgeleide beginselen en procedures, alle besluiten kunnen worden genomen die voor een gezonde democratische gemeenschap noodzakelijk en zinvol zijn. Afgeleide beginselen zijn b.v.. Tegenover elk recht staat een plicht. Met vrijheid van handelen komt de verantwoordelijkheid voor de gevolgen ervan. Jalousie is geen legitiem argument. Bij het vaststellen van de feiten bij maatschappelijke besluiten dient men te streven naar maximale objectiviteit. Ieder burger heeft het recht om mee te doen in de gezamenlijke onderneming die een democratie is en heeft de plicht daartoe indien hij aanspraak wil maken op de voordelen ervan. Ieder burger moet kennis kunnen nemen van alle in de gemeenschap beschikbare kennis (gratis lager en middelbaar onderwijs, leningen voor hoger onderwijs, voor een ieder betaalbare bibliotheken). Tegenover vrijheid van meningsuiting staat de verantwoordelijkheid voor de gevolgen ervan, (tegenover het recht op beledigen staat het recht om boos te zijn, binnen het door de wet gestelde kader) etc.

Zo eenvoudig als het beginsel is, zo moeilijk is de uitvoering. Zoals gezegd: procedures zijn slechts middelen. Doorslaggevend is tot welk doel, en de wijze waarop, procedures worden gebruikt. Zolang hun doel, in dit geval democratie, nog niet ondubbelzinnig bepaald is, kunnen zij ongestraft worden misbruikt. Alle vormen van democratie kampen met dezelfde soort problemen, ongeacht hun kiesstelsels die elk hun voor en nadelen kennen. Juist door het vertalen van het democratisch beginsel naar de politieke praktijk kan D66 een bijdrage aan de democratie leveren en zich profileren.

REDELIJK. Opgericht als Democraten66 zijn wij door Jan Terlouw gepresenteerd als het redelijk alternatief, en terecht. De eerste duurzame democratie ontstond in 1291 in Zwitserland als een samenwerkingscontract tussen een paar duizend eenvoudige bergbewoners. Hoofddoel van het contract (de eed op de Rigi) was vreedzaam samenleven en bescherming van hun vrijheid tegen buitenlandse overheersers. Op een ‘Land-dag’ met alle inwoners werden alle gemeenschappelijke zaken bepaald in directe stemming op basis van één man, één stem.

In grotere en complexere gemeenschappen werkt directe democratie niet. De coëxistentie en coördinatie die de mens als sociaal wezen nodig heeft, werd de facto – voorzover instinct niet voldeed – verzorgd door een ‘natuurlijk’ agent: de macht van een individu of groep die zijn beslissingen kon afdwingen. Indien daarop aangesproken, legitimeerde deze zijn autoriteit door zich te beroepen op traditie of geloof, en op het primaat van de gemeenschap boven het individu. Zowel de legitimatie van deze macht als haar effectiviteit werden door de Verlichting onwaardig bevonden van een wezen dat bewust is van zijn eigen individualiteit en begiftigd met de rede. De moderne democratie werd geboren, eerst in de filosofie als John Locke c.s.’s contract theorie, en daarna in het echt als de Franse revolutie. Zij is een product van de rede.

Het democratische beginsel is een echte maatschappijvisie, met een eigen moraal en waarden, en is uit te leggen aan elk enigermate ontwikkeld individu, omdat het democratisch beginsel datgene vertolkt dat alle mensen willen als zij kiezen voor democratie en dat derhalve geen verdere rechtvaardiging nodig heeft. Het is de volkswil, het enige waarover alle democraten het – per definitie – eens zijn. De rede zegt dat het democratisch beginsel, als constituerende basis van een maatschappelijke orde gebaseerd op vrijwilligheid, geen verdere elementen kan bevatten zonder dat het afdwingen ervan in conflict kan komen met deze vrijwilligheid. Wie er iets aan toe wil voegen op basis van gelijke prioriteit wil niet echt democratie. Elk specifiek geloof of ideaal, Bijbel, Koran, socialisme, kapitalisme, nivellering, emancipatie, dierenwelzijn etc., is ondergeschikt aan de eisen van het democratische beginsel; zij kunnen niet dienen als argument voor het opleggen van een besluit aan andersdenkenden, omdat al deze zaken, wat ook hun oorsprong moge zijn, altijd alleen door (voor de wet gelijkwaardige) mensen worden verkondigt en afgedwongen. Als product van de rede is democratie in die zin ook pragmatisch, een kwalificatie die D66 ook heeft opgeëist maar die moeilijk te rijmen is met b.v. de “Uitgangspunten”, de “Waarden”, van D66.

SOCIAAL-LIBERAAL. Zo noemt Tom de Graaf ons, eveneens terecht. Bij sociale dieren is de relatie tussen individu en groep via instinct ‘ingebouwd’, met prioriteit voor de groep. Bij de mens, begiftigd met rede en reflectie , is deze eenheid geen gegeven meer en kan het individu zijn particuliere belangen en idealen nastreven ten koste van de groep. Deze kan op zijn beurt overheersen doorpure macht en door uitschakeling van de rede van het individu, zie voetbal,patriotisme en fundamentalisme; hij berooft daarmee het menselijke individu van zijn voornaamste eigenheid. De democratie-als-nazaat-der-verlichting moet doorlopend zoeken naar een evenwicht tussen de individualistische en sociale tendensen van haar burgers. Vrijheid, gelijkheid en broederschap. Ergo: sociaal-liberaal!

DE ‘NATUURLIJKE’ ROL VAN D66. Mochten wij besluiten om door te gaan als ‘democraten’, dan hoeven wij de vlaggen waaronder wij ons hebben gepresenteerd dus niet te verloochenen. Als ‘democraten’ kunnen en moeten wij een specifieke rol vervullen:
- bewaken van het evenwicht tussen sociaal en liberaal; daarmee kunnen wij onze positie tussen de PvdA en de VVD ontdoen van de kwalificatie ‘opportunistisch’.
- bevorderen dat de argumentatie in de onderhandelingen aan de eisen der rede voldoet die volgen uit het democratische beginsel, b.v. door demagogie of verhullend jargon te ontmaskeren.

Het bewaken van dit evenwicht is voor sommige niet gelovigen de rede geweest om toch op het CDA te stemmen. Voor dezen, en vele anderen, kunnen wij de partij zijn die onze vrijheid beschermt tegen totalitaire neigingen, enerzijds tegen een onderdrukkende bureaucratie van een doorgeslagen staat die – in naam van het sociale mensen van hem afhankelijk maakt, en anderzijds tegen de reductie – in naam van de vrijheid – van de mens tot een consument van de producten van een kapitalistische markteconomie met haar sociale ontwrichting. Als D66 bieden wij tevens bescherming tegen theocratische bevliegingen verkapt als normen en waarden.

De discussie in Idee, NRC en het gangbare sociaal-wetenschappelijk en filosofische debat blijft bij een verzameling van elkaar tegensprekende meningen en theorieën, zonder enige poging om tot overeenstemming of synthese te komen; een grabbelton waaruit een ieder datgene kan graaien dat hem het beste uitkomt. Totaal irrationeel, want vrijwillige aanvaarding van het bestaande contract en voorgesteld beleid eist waar mogelijk consensus. Een gedeeld begrip van democratie levert een basis, een criterium, voor zulk een synthese en consensus. De rede levert de argumentatie om datgene op te sporen dat men gemeen heeft en om pseudo-tegenstellingen en illegitieme argumenten te elimineren. Een taak voor het D66 als ‘redelijk alternatief’ en haar kenniscentrum.

Wij spreken daarmee een groeiende en aantrekkelijke groep kiezers aan: hoger opgeleiden die, in loondienst of beroep, een goede boterham verdienen met hun kennis en vaardigheid. Zij hebben het meest te winnen bij echte democratie, kunnen daaraan ook het meeste bijdragen, en zijn dus een ‘natuurlijke’ doelgroep voor D66. Wij kunnen dan ook profiteren van de gespletenheid van de achterban van de PvdA (uit de NRC: “…een groeiende spanning tussen de belangen van de hoger en lager opgeleide achterban; tussen de opvattingen van culturele progressievelingen en die van de op hun materiële belangen gerichte werknemers.”) Deze progressievelingen zijn thans geen voorstanders meer van een paternalistische staat. Ook de VVD is gespleten tussen enerzijds de echt liberale en ietwat elitaire Bolkenstein-adepten, en anderzijds de materialistische kleine zelfstandige die het meeste last heeft van concurrentie van de groten en van immigratie, en daarin de oorzaak zoekt van zijn ontheemding in een wereld die op vele gebieden sneller is veranderd dan hij kan bijhouden.

Het recht bepaald alleen de uiterste grenzen van hoe wij met elkaar omgaan. Moraal en fatsoen zijn het smeermiddel van onze dagelijkse omgang met elkaar. Zoals gezegd zijn uit de definitie van democratie en de daaruit afgeleide beginselen ook normen van moraal en fatsoen af te leiden en te rechtvaardigen als een maatschappelijke noodzaak. Daarmee kunnen wij het debat over normen en waarden naar ons toe trekken zonder verwijt van ‘fatsoensrakkerij’. Aan onderwerpen zoals ‘inburgering’ en multiculturele maatschappij, de inkomensverdeling, emancipatie etc. kan een concrete en te rechtvaardigen inhoud worden gegeven.

Bovenal kunnen wij door ons optreden laten zien wat democratie zou moeten zijn. Allereerst door echt ons best te doen om van Mierlo’s kloof tussen politiek en kiezer te dichten door deze serieus te nemen. De kiezers, en niet de leden, zijn de uiteindelijke opdrachtgevers van een politieke partij. Wij moeten uitleggen dat en hoe onze standpunten volgen uit ons democraatzijn, in termen die aansluiten bij zijn beleveniswereld. De politieke argumentatie zou de kiezer zover mogelijk moeten overtuigen dat onze democratie, al kan zij niet voldoen aan al zijn eisen, toch de beste ‘deal’ is die hij kan verwachten in een wereld die niet specifiek voor zijn genoegen is geschapen. De huidige politiek praktijk voldoet geheel niet daaraan. Gevolg: politici genieten een van de laagste publieke waarderingen van alle beroepen: men acht ze onbetrouwbaar en weinig competent. (In hoeverre dat ligt aan de omstandigheden waaronder zij moeten functioneren lijkt mij een veelbelovend onderzoeksobject.)

In mijn reactie op de “Klim” in de democraat van ….. heb ik ervoor gepleit om van deze zaken een zesde punt van actie te maken. Daarin is een taak weggelegd voor ons kenniscentrum. Het vraagt tijd en werk, zoals alle ondernemingen die echt de moeite waard zijn, b.v. een bloeiende D66. Daarvoor wil ik mij graag inzetten.

(*) The Conceptual Foundations of Decision-making In a Democracy.

P.Pappenheim, published and produced by Barjesteh van Waalwijk van Doorn & Co. Inhoudsopgave op www.project-democracy.nl, bij de knop met bovengenoemde titel.