Hersenonderzoek en mensbeeld

Door: Peter Pappenheim

Inhoudsopgave

DEEL EEN, DE VERONDERSTELLINGEN.

  • De voor dit onderwerp relevante conclusies van LIFE and INFORMATION
  • De experimenten
  • Wat tonen de experimenten

DEEL TWEE: DE GEVOLGEN VOOR EEN AANTAL ONDERWERPEN

  • Voorbestemd?
  • Bewustzijn, reflectie
  • De bewuste consument
  • Kwebbeldos?
  • Het Ik
  • Het ware Ik
  • Wie is de baas?
  • Aangeboren versus aangeleerd, een zinloze competentiestrijd
  • Kan het menale  uit het neurale worden verklaart?

DEEL DRIE: DE VRIJE WIL.

(Omdat over de vrije wil nog steeds een felle strijd woedt, krijt het een apart deel.)

  • Vrije wil versus determinisme. Vrijheid als kwalitatief concept
  • Vrijheid en verantwoordelijkheid
  • Vrijheid als kwantitatief concept

DEEL VIER: KAN HET MENTALE DOOR HET NUERALE WORDEN VERKLAARD?


Alle theorieën der sociale wetenschap en filosofie stoelen op een mensbeeld dat eraan voorafgaat, en waarin de meest recente bevindingen der wetenschap dienen te zijn verwerkt. Een tweeluik in de NRC van hersenonderzoekers, prof. Swaab (12/6/2010) en prof. Lamme (19/6/2010), willen daaraan bijdragen en stonden aan de wieg van dit stuk. De feiten die zij noemen zijn boeiend, maar op de conclusies die Lamme  daaruit trekt (“De vrije wil bestaat niet” “Over wie echt de baas is in ons brein”) evenals zijn opmerkingen over de rol van rede en bewustzijn, valt wel wat aan te merken. Hun werken, en dat van andere onderzoekers zoals Domasio, zijn aanleiding geweest voor een reeks artikelen, met name van psychologen en filosofen, die hun conclusies bestrijden. Opvallend is dat geen daarvan ingaat op de vraag of hun conclusies inderdaad door hun experimenten worden gerechtvaardigd. Allen gaan alleen over de relatieve belangrijkheid, de relevantie, van de conclusies voor hun eigen discipline, ook het hier verder niet meer genoemde artikel van J.J. Derksen (NRC 18/8). Uit alles blijkt dat een gemeenschapgelijke basis voor een vruchtbare discussie ontbreekt, namelijk overeenstemming over wat een mens is als levend wezen, zoals volgt uit en een overzicht van wat alle levende wezens gemeen hebben volgens de huidige stand van de biologie. Daarom begint mijn boek, dat eigenlijk over democratie gaat (*), met een poging daartoe in het deel “LIFE and INFORMATION”. Het blijkt mogelijk om op deze basis van deze kennis over de meeste onderwerpen tot overeenstemming te komen mits men de wil daartoe heeft en men over feitelijke (wetenschapgelijke) uitspraken de regels van democratische argumentatie hanteert   die eveneens in dat boek worden voorgesteld in het deel “Democratic argumentation”).

De discussie bewijst de stelling waarmee mijn boek eindigt, dat de wetenschap zich nog niet voldoende bewust is van haar maatschappelijke verantwoordelijkheid. Dat is het leveren van kennis die zo correct, en daarom zo objectief mogelijk is, in een vorm die haar gebruik in de maatschappelijke en democratische besluitvorming toelaat. (Zie hieronder, “Een geheel”).

DEEL EEN, DE VERONDERSTELLINGEN.

DE RELEVANTE CONCLUSIES van LIFE and INFORMATION

Een geheel. Allereerst is een levend systeem, en zeker een mens en zijn maatschappij, complex en moet altijd als een geheel worden benaderd: al zijn elementen zijn onderling afhankelijk. Bij gebrek aan beter noem ik deze wiskundige eigenschap ‘holistisch’. Inerte objecten zijn invariabel in tijd en omgeving (water kookt bij 100% op zee niveau, ongeacht de keren dat het al eens is gekookt). Levende wezens zijn dat niet: zij kunnen ‘leren’ van hun ervaring.  Zij zijn alleen volledig te bevatten gegeven hun geschiedenis en hun omgeving, dus eigenlijk nooit, want tijdens en door dit werk kunnen zij al weer veranderd zijn. Zoals gezegd is de academische wetenschap is geheel niet daarvoor georganiseerd, want verdeelt in strikt autonome faculteiten, zonder een coördinerend instituut en zonder een centraal model van de mens als levend wezen waarin elke discipline de haar toekomende plaats heeft gekregen. Zo noemt niemand de evidente redeneerfouten  in Lamme’s conclusies. Men bestrijdt voornamelijk de impliciete of vermeende aantasting van de belangrijkheid van de eigen discipline. Draaisma’s artikel in de NRC van 2/8/’11, “Artsen die bijbeunen in de filosofie” illustreert deze houding van de huidige academische filosofie en sociale wetenschap: hun verlammende ‘weberiaanse’ bureaucratie.

Functionaliteit. Een andere methodologische conclusie is dat de functie (niet het nut) die een element van een levend wezen vervult, een legitiem en zelfs voor de hand liggend concept is voor  het begrijpen ervan. Het leven is een proces waarbij levende wezens ageren om uit hun omgeving de energie te  halen om te blijven leven en zich voortplanten. De primaire functie van een centraal zenuwstel, ons brein, is het sturen van ons vermogen tot handelen zodat het meer energie, levenskracht oplevert dan de handeling conform de tweede wet der thermodynamica onvermijdelijk verbruikt. Dat geldt voor een muis en dat geldt voor een mens. Het registreren en verwerken van informatie is onderdeel van de hele besluitvorming die ons gedrag aanstuurt.

De besluitvorming. Deze begint met de motivering, in de letterlijke zin van “op gang brengen”, die een onvermijdelijke emotionele en meestal onbewuste basis heeft. Het  bevat verder vergaren, c.q. mobiliseren van kennis omtrent de relevante omstandigheden, een inventarisatie van de beschikbare actiealternatieven, een evaluatie van hun gevolgen, het rangschikken van deze alternatieven volgens de waardering van de gevolgen in termen van de doelen en voorkeuren van het betrokken individu, en eindigt met een (of geen) opdracht tot actie aan bv. spiervezels. Dit geldt voor de onbewuste en de bewuste besluitvorming. Veel ervan is – conform de auteurs – bepaald door hoe ons brein is gevormd via genen en ervaring (die bij beide auteurs er wat bekaaid afkomt), en die liggen dus al vooraf vast. Maar niet alles.

Het informatieproces.  De processen waarmee levende wezens de voor hun nodige energie en materialen uit hun omgeving halen leveren alleen meer energie dan zij verbruiken wanneer zij kunnen worden aan- en uitgezet naargelang de omstandigheden daarvoor gunstige zijn of niet. Zijn taak is het vergaren van kennis omtrent de omstandigheden, de inventarisatie van de alternatieven en de evaluatie van de gevolgen ervan. Dat kan – en moet vaak - gedurende de besluitvorming gebeuren en bepaald of  het besluit ‘goed’ of ‘slecht’ zal blijken als het is uitgevoerd. Afhankelijk van de uitkomst ervan wordt een schakelaar aan of uitgezet en aldus een besluit genomen. (Men wil wel eens de term ‘besluit’ reserveren voor besluiten die bewust of weloverwogen zijn genomen; dat veronderstelt dat wij voor de andere ‘geëffectueerde’ keuzen’  een adequate term kennen, en dat is nog niet het geval.) Omstandigheden en de gevolgen van de actiealternatieven vormen het object van het informatieproces. Het verband daarmee wordt gelegd via onze zintuigen middels een informatiedrager (een medium) die zo onafhankelijk mogelijk moet zijn van dit object. Dat is het objectieve element van ons besluitvormingsproces. Aan de aldus ontvangen signalen moet een betekenis worden toegekend die derhalve al aanwezig moet zijn (hetzij via de genen, hetzij door vorige ervaringen) en derhalve een onvermijdelijk subjectief element bevat. Wij zijn derhalve doorlopend ‘in wording’.

Het informatieproces bestaat uit een subject dat informatie zoekt over een object, iets dat buiten het betrokken subject ligt. Het subject gebruikt daarvoor een medium, bv. licht dat – om zijn rol te vervullen – zo onafhankelijk mogelijk moet zijn van het object. Het subject heeft een orgaan dat ontvankelijk is voor dat medium en aldus de staat van het medium kan registeren bv. ogen. Deze staat moet door het object te beïnvloeden zijn, bv. omdat het licht weerkaatst. Het subject moet aan het geregistreerde een betekenis toekennen die derhalve  al in het subject aanwezig moet zijn, hetzij ingebouwd via genen, hetzij door ervaring aangeleerd. Het proces begint dus met twee subjectieve elementen: de noodaak of wens van informatie over een object en keuze van het medium. Het eindigt met een ander subjectief element: het toekennen van een betekenis aan het geregistreerde. Deze betekenis vormt dan ons beeld, onze representatie, van het object. Alles daartussen kan onafhankelijk zijn van het informatie verwerkende subject, en is in deze betekenis objectief; dat moet zij ook zijn om het geregistreerde niet te vertekenen door zaken die niet tot het object behoren.   Informatie kan dus nooit geheel objectief zijn, maar voorzover alle onnodige subjectieve elementen zijn vermeden, is zij zo objectief, zo ‘waar’, mogelijk. Indien de betekenis  in ons lange termijn geheugen is opgeslagen, vormt zij kennis. In zijn meest eenvoudige vorm, bv. bij een bacterie, werkt dit proces vrijwel automatisch; bij het meest complexe wezen, de mens, kan tussen de registratie en het geven van betekenis annex evaluatie een uiterst complex proces worden ingevoegd. met name door ons bewustzijn en zijn hulpkrachten. Maar de basis-componenten gelden boor elke informatie.

De functie van informatie als noodzakelijk onderdeel van besluiten bepaald ook de nauwkeurigheid en volledigheid van de geleverde informatie. Deze zijn voldoende wanneer een verdere precisie of informatie niet tot een ander besluit zou leiden.

Parallel versus sequentieel. Bij het gros der levende wezens lopen alle  besluitvormingsprocessen parallel, naast elkaar, veelal gelijiktijdig en verbonden met elkaar; ook bij de mens worden verreweg de meest besluiten aldus genomen, zonder inschakelen van ons bewustzijn. Zo kunnen veel besluiten tegelijk worden genomen met een snelheid van fracties van een seconde. Dit proces is vrijwel doorlopend, en uit zichzelf, actief. Daarnaast kent de mens een andere vorm van verwerking van informatie, namelijk de sequentiële, waarbij de verschillende stappen van een besluit na elkaar worden bekeken en waarvan men zich dus ook bewust moet zijn. De kerntaak daarvan is om de gevolgen van een keuze te bepalen en te evalueren. Een andere taak is om – in samenspel met onze verbeeldingskracht – andere alternatieven te creëren en te evalueren en aldus een virtuele wereld te scheppen. Dit proces is vele malen langzamer en eist veel meer energie , bv. voor concentratie. Het word slechts actief als daartoe een aanleiding is.

De wil. Er bestaat bij mijn weten geen algemeen aanvaarde en eenduidige definitie van de wil. Dat komt met name omdat de besluitvorming niet adequaat is ontleed in haar elementen. Een element ervan is in elk geval de motivering, een behoefde, een wens. Een tweede is de waardering van de diverse actiealternatieven; deze hoeft niet gelijk te zijn aan de mate waarin zij voldoet aan de behoefde: de alternatieven zullen vaak nog andere gevolgen hebben dan de oorspronkelijke behoefde. Ook deze waardering valt in de categorie behoefde, wens. En een besluit is pas compleet (zie Kant) met de opdracht: “uitvoeren”. Dat zal pas worden gegeven indien men verwacht dat de gevolgen van het gekozen alternatief correct zijn ingeschat, gegeven de omstandigheden. Tezamen vormen zij de wil en zijn zij subjectief.

De regels van democratische argumentatie over feiten. Om  reden van effectiviteit (zie hierboven) en respect voor de autonomie van het individu dienen de uitspraken over feiten zo objectief mogelijk te zijn. Axioma’s dienen zich te beperken  tot algemeen aanvaarde feiten en expliciete veronderstellingen, en bij de deductie van de gevolgen moeten de regels van de logica en wiskunde worden  gerespecteerd.

DE EXPERIMENTEN.

1)   Men heeft proefpersonen een paneel gegeven met twee knoppen, een linkse en een rechtse, en  de opdracht om één ervan in te drukken. Ondertussen observeerde een hersenscan hun hersenactiviteit. ‘Rechts’ en ‘links’ zijn vertegenwoordigd door verschillende gebieden in het brein. Het bleek dat vrijwel onmiddellijk na de opdracht één ervan werd geactiveerd en dat men altijd de knop indrukte die correspondeerde met het geactiveerde gebied… maar tot zes seconden nadat het was geactiveerd. Pas bij dit indrukken werden de proefpersonen zich van hun keuze bewust. Men concludeerde dat het indrukken van de betrokken knop al zes seconden ‘voorbestemd’ was. Ten onrechte: het besluit is pas voltooid met de opdracht aan de hand om de knop in te drukken. Stel dat twee seconden na het eerste oplichten van ‘rechts’ een bij op deze toets was geland. Niemand zal toch beweren dat men dan niet van toets zal veranderen. Men kan pas een oordeel vellen als men ook deze vertraging heeft verklaard, en dat is gemakkelijk (zie verderop “VOORBESGTEMD?”)

2)   Libet en zijn collega’s lieten  proefpersonen vingerbuigingen maken op momenten die de proefpersonen zelf mochten kiezen. Ze maten drie dingen op:

  • a) het tijdstip waarop de zogenoemde “bereidheidspotentialen” begonnen (i. c. de hersenactiviteit die nodig is bij het voorbereiden van een actie)
  • b) het tijdstip van het echte gedrag (in casu het buigen van de vinger);
  • c) het moment waarop de proefpersonen naar eigen zeggen bewust hadden besloten om de beweging te maken.

De analyse wees uit dat de beslissing werd uitgevoerd  in bovengenoemde volgorde. De bewuste beslissing om de vinger te buigen kwam een paar tiendes van een seconde nadat het onbewuste al besloten heeft het gedrag uit te voeren. Lammen trekt hieruit de conclusie dat de hersenen zowel ons gedrag veroorzaken als het zogenaamde besluit om iets te doen, dat zij ons gedrag controleren en niet wijzelf. Een bizarre conclusie, want – zoals Swaab zegt – wat zijn de hersenen anders dan wijzelf? Wie of wat anders kan onze besluiten nemen? Wij leven toch niet meer in het tijdperk van de ‘homunculus’?

3) Dit is overgenomen uit het boek van Swaab. “Er is experimenteel ingegrepen om te bewijzen dat het bewustzijn achter het initiëren van de handeling aanloopt. Er werd een taak aangeboden waarbij men snel een oplichting op het computerscherm moest aanraken. 0,1 sec nadat die oplichting verscheen was de prikkel al onderweg van de visuele hersenschors naar de motorische hersenschors (fig. 21) om de beweging te initiëren om die oplichting aan te raken. Als dan de verwerking in de visuele hersenschors werd onderbroken door een magnetische puls, dan werd de handeling wel uitgevoerd, maar men werd zich niet bewust van die oplichting op het computerscherm. Al deze waarnemingen ondersteunen het idee dat het gevoel dat deze handeling uit ‘Vrije Wilgeïnitieerd is inderdaad een illusie is, en dat Susan Blakemore dus terecht stelt dat het bewustzijn het verhaal is dat achteraf verteld wordt.

WAT TONEN DE EXPERIMENTEN?

Experiment 1)

  • Als een mens een opdracht krijgt om iets te doen dat zijn lichaam in actie moet brengen, dan stelt ons brein direct dat segment dat de betrokken spieren moet activeren in staat van paraatheid
  • De gevraagde actie word uitgevoerd met een variabele vertraging
  • In deze experimenten komt de actie overeen met de door het onbewuste getoonde paraatheid

Experiment 2)

  • =1): Als een mens een bepaalde beweging wil uitvoeren, dan stelt ons brein onbewust direct dat segment dat de betrokken spieren moet activeren in staat van paraatheid
  • Wij worden ons pas bewust van de uitgevoerde beweging nadat zij is uitgevoerd.

Experiment 3)

  • Dat het bewustzijn het verhaal is dat achteraf verteld wordt.

DEEL TWEE: DE GEVOLGEN VOOR EEN AANTAL ONDERWERPEN

VOORBESTEMD? Zoals ook Lamme schrijft, lopen bij het gros der levende wezens alle  besluitvormingsprocessen parallel, naast elkaar en door elkaar, en zonder overleg; ook bij de mens worden verreweg de meest besluiten aldus genomen. In experiment (1) heeft men dan ook onmiddellijk een besluit genomen, voordat de proefpersoon zich daarvan bewust is en het zich derhalve niet kan herinneren. De andere verwerking van informatie, namelijk de sequentiële en bewuste, word slechts actief als daartoe een aanleiding is. De context van bovengenoemd experiment is zulk een aanleiding. Daartoe dienen de zes seconden. Omdat er geen voor het subject relevant verschil is tussen beide toetsen is er ook geen rede is om van de ‘intuïtieve’ keuze af  te wijken. Niks ‘voorbestemd’.

De conclusie uit experiment 3 is dat het bewustzijn geen rol heeft gespeeld in de actie van de betrokkene, en dat dit een bewijs zou zijn in de op zich correct conclusie dat de vrije wil niet bestaat. In dit experiment hebben het bewustzijn en de wil wel degelijk een rol gespeeld, maar die is niet gemeten. Zij zijn in elk geval ingeschakeld op het ogenblik dat de proefpersoon de opdacht begrepen heef en  besloten om haar te aanvaarden. Hoe kan iemand die toch echt iets moet weten over het leven en de opzet van experimenten, dit over het hoofd zien?

BEWUSTZIJN, REFLECTIE. Wat mij verbaasd is dat de auteurs geen belangstelling tonen voor de vraag: wat gebeurd in de tijd dat het onbewuste systeem oplicht en dat het besluit word uitgevoerd? Blijkbaar niet iets dat met de gebruikte apparatuur een aanwijsbaar spoor achterlaat. Dat is ook te verklaren. Ten eerste zijn de experimenten niet opgezet om andere mogelijke factoren zoals het bewustzijn en de rede op te sporen, want zij bevatten geen aanleiding om de onbewuste keuze te corrigeren . Ten tweede valt  het te betwijfelen of  de gebruikte apparatuur het inzetten van het bewustzijn zou kunnen aantonen. Motorische activiteit moet per spiervezel worden aangestuurd en de betrokken zenuwcellen hebben een vaste plaats in het brein. Aldus worden een groot aantal hersencellen die bij elkaar liggen tegelijk geactiveerd, en zij moeten dat aan hun vezel doorgeven; dat verbruikt een geconcentreerde en aanzienlijke hoeveelheid energie. (Daarom moet de omvang van de hersens van een olifant groter zijn dan van een chimpansee, ofschoon de intelligentie van beiden niet veel uiteenloopt.) Reflectief, bewust denken houdt zich bezig met wat op andere plaatsen in de hersens gebeurd. Het zou inefficiënt zijn om deze cellen, die de toestand van andere cellen als object hebben, daaraan vast te koppelen. Het is mogelijk dat slechts enkele ‘controlecellen’ die ons bewustzijn regeren nodige zijn om de hele groep die een spier aanstuurt op aan of uit te zetten. Deze controlecellen zouden ad hoc kunnen worden aangewezen,  verspreid over een groter gebied en wellicht na gedane arbeid weer voor een volgende ronde beschikbaar zijn. Hun activiteit zou voor de scanner, indien geregistreerd, voornamelijk als ruis worden ervaren. Zaken zoals bewustzijn en het ‘ik’ zijn  bij mijn weten dan ook thans nog niet door neurologisch onderzoek aanwijsbaar, en hun conclusies daarover worden door hun bevindingen nog ondersteund, nog weersproken. Ziet men het bewustzijn als een instrument dat als functie heeft om de correctheid van de onbewuste besluitvorming te waarborgen, dan vervallen alle bezwaren van hersenonderzoekers tegen de stelling dat het bewustzijn ons gedrag kan sturen, maar slechts in aanwezigheid van bv. een door ons onbewuste systeem – dat de actie moet uitvoeren – in paraatheid gebracht actieprogramma: het bewustzijn moet altijd een onderwerp hebben dat al in de hersenen aanwezig is. En zoals in deel een is gesteld, ligt het in de aard van het beestje dat het bewustzijn slechts bij een klein deeltje van onze besluitvorming wordt ingezet, en slechts bij uitzondering een al door ons onbewuste systeem voorgekookt besluit veranderd. Het werkt voor ons als individu, maar niet als soort, reden waarom wij ondanks alle oorlogen binnen afzienbare tijd met z’n negen miljard rondlopen op een planeet die voor hooguit drie miljard is geschapen.

DE BEWUSTE CONSUMENT. In een interview in de CONSUMENTENGIDS juli/augustus 2012 beweert hersenonderzoeker Victor Lamme dat de bewuste consument  niet bestaat. Deze conclusie volgt echter niet uit zijn experimenten die  via een hersensscan de emoties zichtbaar maken  die een product of reclame bij de proefpersoon oproept. Deze scans kunnen de inzet van ons bewustzijn echter niet zichtbaar maken. Lamme baseert zijn oordeel op het feit dat in 70% van de gevallen de  uiteindelijke koopbeslissing overeenkomt met een hetgeen op basis van de getoonde emotie te verwachten valt; dit ziet hij als een bewijs dat het bewustzijn geen invloed heeft gehad. De 30% mislukkingen wordt geweten aan het verschil tussen de situatie bij het experiment en die bij de aankoop. Dat is onzin. Aangezien het bewustzijn en de rede een controlerende functie vervullen, bevat de 70% alle gevallen waarin de rede de eerste impuls positief beoordeelde, en de 30% alle negatieve oordelen. (Een succes ratio van 70% lijkt ook wat minder overweldigend wanneer men  bedenkt dat kruis of munt 50% beloofd.) Het stuk bevat nog meer onjuiste stellingen. Voor details zie “De bewuste consument“.

KWEBBELDOOS? Lamme spreekt laatdunkend over de hersenactiviteit in onze linker hersenhelft waarbij wij doorlopend in gesprek zijn met onszelf. Hij noemt ze onze kwebbeldoos omdat daaruit geen aanwijsbare activiteiten uit voortkomen in andere delen van hersenen. Het is thans nog onmogelijk om ook maar bij benadering iets te zeggen over de inhoud en effect van dit ‘kwebbelen’.  Ik weet niet hoe Einstein aan zijn relativiteitstheorie is gekomen, maar ik weet wel dat het gros van wat ik geschreven heb is ontstaan tijdens wandelingen of in een uurtje dagdromen in bed, dus gekwebbel. Het is volstrekt onwetenschappelijk om te oordelen over de kwaliteit, de belangrijkheid, van het geheel van een activiteit op basis van eendimensionale kwantitatieve macro-gegevens over een deel ervan.

In de NRC van 21/3/2011 schrijft de arts Ivan Wolfers dat Ganzzaniga ontdekte dat onze linker hersenhelft voortdurend ons eigen gedrag wil samenvatten en interpreteren, en noemt ook Lammen’ kwebbeldoos. Hij concludeert: “Wij zijn culturele wezens, willen overal een verklaring voor hebben, en ordenen ervaring en informatie. We brengen ons verleden in verband met wat ons nu overkomt en maken toekomstplannen. Daarbij ontstaat een verhaal dat ons helpt de continuïteit te bewaren van ons op de omgeving reagerende lichaam.” Dat alles klopt, met uitzondering van “daarbij ontstaat een verhaal”. Inderdaad, mensen kunnen er een verhaal van maken, maar de functie van onze linker hersenhelft is het ordenen van de informatie die wij uit onze ervaring hebben onthouden als basis voor het maken van toekomstige keuzes. Het zoeken naar een verklaring van het gebeurde is een essentiële stap voor het succes van onze keuzes, want een bepaald gedrag kan nuttig of schadelijk zijn na gelang de omstandigheden; het waarborgt in die zin de continuïteit, niet van ons lichaam, maar van ons leven. Alle hogere dieren doen het. Omdat ik graag veel vogels in mijn tuin zie, wil ik vreemde katten er zoveel mogelijk weren. Het beste middel is om ze doen schikken zonder dat zij de oorzaak ervan kunnen ontdekken. Zij kijken om, en als ze mij gezien hebben, stappen ze gewoon hautain weg. Daarna komen ze alleen in mijn tuin als ze me niet zien. Als ze me niet gezien hebben, kunnen zij geen oorzaak vinden; ze sluipen zij schichtig weg en komen niet meer terug. Het bijzondere van de mens is zijn vermogen tot abstractie en de daarbij behorende symbolische taal; hij kan er een “verhaal” van maken. Wolffers gebruikt hersenonderzoek als opstap voor zijn verhaal (het nut van gezondheidszorg en psychotherapie), maar komt daarbij in tegenspraak met de kwalificatie van kwebbeldoos. Het zoeken van een verklaring is voor alle dieren de essentie van leren en bij ons van de wetenschap.

Dat ‘kleine beetje’ reflectie en rede, dat verhaal, is wel wat mensen onderscheidt van andere levende wezens. Aan haar hebben wij onze hele civilisatie, ook de neurowetenschappen, te danken. (Deze visie is ook in overeenstemming met de bevindingen van Antonio Damasio en Baumeister).

HET IK: Lamme heeft het over een heel klein ikje. Als besliskundige valt mij op dat de doelmatigheid van een besluit bij Lamme en bij veel van zijn collega’s geen rol van betekenis speelt. Een actie, en dus een besluit, heeft altijd gevolgen voor meer dan het brein: het besluit moet goed, en in elk geval niet slecht, zijn. De vraag “goed of slecht” leidt vanzelf tot de vraag: “voor wie?” Dat is in elk geval de hele mens. Het verzekeren van deze totaaldoelmatigheid vormt de voornaamste functie van ons (zelf)bewustzijn en onze rede. ‘Het IK’ is noch groot, noch klein; het hoefd niet te bestaant als zelfstandige eenheid. “IK” – als een verwijzing naar ondergetekende – bestaat wel, in elk geval bij de mens, evenals de ervaring daarvan als zelfbewustzijn. Het moet zorgen voor de coördinatie van onze besluitvorming, zowel intern als in onze omgang met de buitenwereld. Wij moeten dus ook een woord hebben dat verwijst naar het onderscheid tussen onszelf en de rest. Dat wij met ons zelfbewustzijn – in Lamme’s woorden ons denkende “ikje” – slechts een heel klein deel zien van wat zich allemaal in ons brein afspeelt, ligt voor de hand (zie bewustzijn): wij focussen op wat belangrijk lijkt; meer zou verspilling zijn, en ‘alles’ is onmogelijk. De aangewezen maatstaf van belangrijkheid van een element van een levend wezen is wat zou gebeuren als het er niet was of niet functioneerde. Ik (bewust en onbewust) is voor de mens (en waarschijnlijk ook dieren) een onmisbaar functie.

HET WARE IK. In twee artikelen in de NRC (2 en 14 – 8 – 2010) betwijfeld Marjolijn Vos of zoiets bestaat. En terecht: een functie zoals ‘Ik’ kan al dan niet worden uitgeoefend, kan nuttig of overbodig zijn, kan bestaan of niet, maar ‘waar’ is geen adequate kwalificatie. In zijn boek schrijft Lamme: “Iemands ‘ware ik’ blijkt uit zijn daden, niet uit zijn woorden”. En verder: “Kunnen wij dan iemands ‘ware ik’ met een hersenscan boven water halen?”.

In deze discussie refereert ‘ik’ dan ook niet aan deze functie, maar dient een verzamelnaam voor alles wat een specifiek individu maakt tot wat zij is, inclusief haar fysieke gesteldheid, en verder beperkt tot haar brein. Wil men het ‘ware ik’ daarin kennen, dan moet men niet alleen de ‘ingebouwde’ drijfveren kennen, maar ook alle ervaring die in de hersens ligt opgeslagen en die bepalend is voor de wijze waarop het resultaat van gedragsalternatieven wordt gewaardeerd. Men moet niet alleen de patronen per neuron kunnen lezen, maar ook weten welke interpretatie, welke betekenis het individu daaraan heeft gegeven. Wellicht zullen wij ooit daartoe in staat zijn, maar thans komen wij niet eens in de buurt daarvan. Ook in dat geval moet het antwoord luiden dat het ware ik in absolute zin onkenbaar is, want het is doorlopend in wording; alleen al de wetenschap dat wij een individu aldus hebben leren kennen heeft dit individu veranderd. Wij kunnen altijd alleen maar zien wat het was. Met een hersenscan kunnen wij wellicht belangrijke elementen van iemands persoonlijkheid bepalen, maar niet zijn ware ik.

Lamme weet een uitweg: onze daden laten zien wie wij werkelijk zijn, niet wie  wij denken of zeggen te zijn. Zijn voorbeeld is een André Rouwvoet die zegt van zijn gezin te houden maar nooit tijd ervoor kan maken. Dus geeft hij geen zier voor zijn gezin, concludeert Lamme. “Hij – zijn kwebbeldoos – vindt waarschijnlijk zijn gezin echt belangrijk. Maar zijn brein laat hem andere dingen doen: werken, werken, werken. Dat is dan zijn ware ik”, aldus Lamme. Hoogst merkwaardig, de kwebbeldoos behoort toch ook tot zijn brein? Zou de natuur een hele hersenhelft laten bestaan als die geen invloed zou hebben op onze besluitvorming? Bestaat ons ‘ik’ alleen uit ons onbewuste? Lamme lijkt zelf een voorbeeld te zijn van de kracht ervan. Want zijn kwebbeldoos zou hem ongetwijfeld ingefluisterd hebben dat –  uitgezonderd monomanen – de mensen meer dan één zaak erg belangrijk vinden. Zijn ‘ware’, onbewuste ik vindt zijn argument echter leuker, en wint.

Daden mogen een betrouwbaardere want objectievere indicator zijn, maar echt betrouwbaar zijn ook zij niet. Want daden staan niet in een één-op-één relatie tot de ‘ingebouwde’ drijfveren zodra wij meerdere zaken echt belangrijk vinden. De wetten der natuurkunde beletten ons (en Rouwvoet) meestal om aan allen volledig recht te doen. Dus moeten wij schipperen. Dat is het gebied van onze ‘kwebbeldoos’. Zoals in de vorige alinea is gezegd, speelt de ervaring daarin een grote rol; met dezelfde drijfveer zullen verschillende personen tot verschillende daden komen.

Conclusie: schrap “het ware ik” voorlopig uit de woordenschat van de wetenschap en filosofie. Voor de dagelijkse praktijk is het bruikbaar om een dissonantie tussen woord/beeld en de werkelijke daden aan te duiden of juist te ontkennen.

WIE IS DE BAAS? Linker of rechter hersenhelft? Die vraag wordt o.a. gesteld door McGilchrist, zie hieronder. Leven is een continu, evolutionair proces waar alle delen van een levend wezen aan meewerken. In zulke processen vol terugkoppelingen is de vraag “wie is de baas?”  dan ook een weinig zinvol, want ‘baas over X’ heeft alleen betekenis als ‘baas’ en ‘X’ niet onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn. Tussen de bewuste, rationele besluitvorming en de onbewuste, intuïtieve kan een interne strijd  wel ontstaan wanneer de rationele tot een ander besluit leidt dan de intuïtieve. Oorzaak is vaak een verschil in tijdshorizon. Ook kunnen in een en hetzelfde besluitvormingsproces meerdere drijfveren betrokken raken en wordt het bewuste denken ingezet om prioriteiten vast te stellen. Welke het wint hangt af van de instelling van het betrokken individu. Als het bewuste wint, vergroot dat de kans op succes en geeft het een prettig en niet onredelijk gevoel van baas zijn over zichzelf (Kant’s autonomie).

Het bevestigd wel dat de primaire motivatie uit onze onbewuste, parallelle  informatieverwerking niet alleen vooraf gaat aan de bewuste, maar ook aan het langste einde kan trekken bij een conflict; maar dat wisten wij al uit eigen ervaring. Als het bewuste overwint, dan noemen wij dat zelfbeheersing (of zoals Brandsen: wilskracht). Deze begrippen komen in Lamme’s en Swaab’s boeken niet aan de orde. Ze zijn ook geen object van hun onderzoeken, maar daarom nog niet te verwaarlozen. Aangezien de uitkomst niet het gevolg is van een a priori vastgelegde rangorde, is ook geen van beiden ‘de baas’.

McGilchrist (“The master and his emissary”) ziet dat anders (NRC 31/3/2011).  De rechter hersenhelft (onbewuste informatieverwerking) is volgens hem normaal de baas, de linker is zijn afgezand. Evolutionair is er wat voor te zeggen: onze bewuste informatieverwerking is een recente ontwikkeling, en op ons niveau zelfs uniek. McGilchrist’s experimenten tonen aan dat de informatieverwerking van de linker helft de mist in gaat zonder input van de rechter. Dat komt overeen met mijn stelling dat de bewuste informatieverwerking als object producten van het onbewuste heeft die zij kan analyseren. Zij kan ook steeds complexere analytische verbanden creëren, bv. wiskundige, die middelen vormen waarmee het bv. de conclusies van de rechter helft op hun betrouwbaarheid kan toetsen… wanneer het betrokken besluit deze inspanning rechtvaardigt. De linker helft kan dan worden gezien als een (analytische) hulpdienst van de rechter, en de rechter kan zijn taak holistisch en zonder inbreng van de linker vervullen wanneer zij deze hulp niet nodig heeft of deze niet op tijd beschikbaar is. McGilchrist: “de rechterhelft stelt prioriteiten en geeft die door aan de linker  om verder te onderzoeken”; de resulterende ‘linkse’ kennis moet teruggaan naar de rechter om geïntegreerd te worden in een bredere context die aldus uit beider visie op de wereld een gezamenlijk wereldbeeld kan vormen. Akkord. Wie aan een rangorde waarde zou hechten kan dus de rechter als belangrijker zien. Toch is het onderscheid tussen ‘belangrijker’ en ‘de baas zijn’ geen haarkloverij.

Kern van McGilchrist’s werk is dat iedere hersenhelft een geheel eigen relatie met de wereld onderhoud. Geen van beiden beschikt over alle kennis; de rechter weet dat, maar de linker niet. In het beste geval werken zij samen; maar zo nu en dan ontkent de linker het bestaan van de rechter. De bijdragen van beide helften moeten in evenwicht zijn. Zo nu en dan gaat het wereldbeeld van de linker helft overheersen, en dat beeld is een mechanistische, orderlijke en beheersbare wereld. Het doet  de realiteit van het leven geweld aan, met alle gevolgen van dien en die een ieder die niet geheel blind is kan zien. Hoe kon het zover komen? McGilchrist noemt: gevoel van macht en overheersing, gemak om dingen naar je hand te zetten, een overzichtelijk en mechanistisch wereldbeeld dat alles kan verklaren, het succes om vorm te geven aan onze wereld, het verdwijnen van tegenstrijdigheden, “the mess of life” en de overtuiging dat één rationeel stelsel van regels voldoet  in alle gevallen. En inderdaad,  ”wat onze hersenen kunnen rekruteren om te functioneren, slijt als het ware in”; maar dat geldt voor links en rechts. Alle andere zaken vinden hun oorsprong in neigingen en gevoelens die traditioneel aan de rechter helft worden toegewezen.

Zoals zo vaak zit de angel in een axioma, hier dat de linker helft een eigen relatie met de wereld heeft. Dat is in tegenspraak met het resultaat van het door McGilschrist genoemd experiment: voor de linker hersenhelft is een interne structuur van een onderwerp (van bv. een uitspraak) belangrijker dan het ervaren van de werkelijkheid ervan. Wie naar functies kijkt i.p.v. naar locaties ziet direct dat met de door mij aangegeven functionele relatie  de uitkomst van het experiment te voorspellen was. Door haar functie houdt de linker helft zich niet bezig met dingen van de wereld, maar met relaties tusssen deze dingen in de wereld, incluis de inhoud van andere delen van de hersens, met name de rechter helft. Voor ieder mens bestaat maar één wereldbeeld dat in elk geval de medewerking van de rechter helft nodig heeft, en – waar opportuun – hopelijk ook met medewerking van de linker tot stand is gekomen. Ook in de meest ‘linkse’ van onze verworvenheden, de taal, kan alleen met medewerking van de rechterhelft een geldige (synthetische) uitspraak over de wereld worden gedaan. De linker kan voornamelijk (analytische) oordelen vellen over de geldigheid van de daarin veronderstelde relaties tussen de elementen van de uitspraak. Kortom, de linker helft houdt zich niet bezig met de wereld, maar schaaft aan het beeld dat de persoon ervan heeft of wil maken. Als zij autonoom gaat opereren, komt er alleen onzin uit, zoals het bovengenoemd experiment aantoont.

De oorsprong van het splitsen van de hersens in twee helften zoekt McGilchrist  in de noodzaak van vogels met laterale visie die daarmee de hele omgeving doorlopend ‘in het oog’ kunnen houden om daarnaast zich ook op en bepaald voorwerp te kunnen concentreren. Michael Polanyi (Meaning, 1973) noemt het focussen. Dat is een algemene vaardigheid voor alle dieren, zelfs vissen, en basis vaardigheid voor de menselijke sequentiële informatieverwerking. Wil de linker haar werk goed kunnen doen, dan moeten haar oordelen onafhankelijk zijn van de motieven en gevoelens die aan het betrokken onderwerp worden toegekend; tevens moet tijdens het focussen de omgeving toch in de gaten worden gehouden. Een aparte afdeling in de hersens voor focussen en sequentieël denken is dus evolutionair voordelig. Een eigen relatie met de wereld, een eigen wereldbeeld, is dat niet.

McGilcrist heeft de mechanisering van ons wereldbeeld terecht aan de kaak gesteld. Maar deze heeft een andere oorzaak, die ik al in 1977 (*) aan de kaak heb gesteld en in een later boek heb herhaald (**): het falen van onzer linker helft om haar taak naar behoren te vervullen, met name in haar toepassing in sociale wetenschap en filosofie. Door zijn gigantisch succes bij het werken met inerte zaken is het technische denken diep ingesleten in onze linker helft , in onze wetenschap (Rutherford’s hubris: ”All science is physics, de rest is stamp-collecting”). Dit wereldbeeld reflecteert dus de algemeen waarneembare realiteit. Dat technisch denken  niet direct toepasbaar is op de levende wereld en die het moet hebben van evolutionair denken is geen gemeengoed; besef ervan doet ook een beroep op de linker helft, op wetenschap. Dat werk kan en word verstoord door intrusie van de rechter helft  (belangen, verzet tegen wat niet uit eigen koker komt, economische efficiency etc.). Die – onverdiende – ruimte is ontstaan doordat de levende wereld meestal geen eenduidig verband toelaat tussen een theorie en haar toepassing. Technisch denken doet dat wel en vindt daarin zijn kwaliteitsconotrole, zijn selectie: het experiment, de ingestorte brug. De linker helft geeft ons wel middelen, bv. axiomatisering, om  in bio- en menswetenschappen veel kaf van het koren te scheiden, en om in de integratie te voorzien die recht doet aan het holistisch karakter van levende systemen… mits men de daarvoor nodige moeite doet, quod non. De huidige wetenschap is daarvoor niet ingericht, een deel van de linkerhelft wordt buitengesloten door bureaucratisering. De door McGilchrist genoemde problemen hebben dus een sociale oorsprong; hier ligt een aangrijpingspunt voor de ‘maatschappelijke factoren’ die volgens Köbben door de hersenonderzoekers word verwaarloosd (zie hieronder).

AANGEBOREN VERSUS AANGELEERD, een zinloze competentiestrijd. “Nature versus nurture” in het Engels. Gen versus ervaring. De zinloze en vruchtloze strijd “about turf”, over wiens onderzoekgebied belangrijker is, illustreert wat ik gezegd heb onder “Een geheel”. Het was te verwachten dat Dick Swaab’s boek “Wij zijn ons brein” bij andere disciplines der menswetenschappen op weerstand zou stuiten, bv. bij antropoloog André Köbben (NRC 22/4/2011). Swaab betoogt dat ‘de mogelijkheden en beperkingen’ van een mens bij zijn/haar geboorte al vastliggen en er alleen nog in de kinderjaren wat aan gesleuteld kan worden. Tenzij het door een of andere materiële ingreep, een ongeluk of ziekte, is veranderd. Deze stelling wordt door zijn voorbeelden onderbouwd… mits men met ‘mogelijkheden en beperkingen’ het fysieke bouwwerk van de hersenen, de neuronen, synapsen ed., bedoelt. Dat bepaalt in grote lijnen onze aanleg. Köbben stelt dat gedrag  ”minstens evenzeer” wordt bepaald door maatschappelijke factoren.

Laten wij “minstens evenzeer” voor de rekening van Köbben, maar de inhoud van ons brein  word door  Swaab c.s.a  wat stiefmoederlijk behandeld. Niet alleen maatschappelijke factoren, al onze persoonlijke ervaringen die wij hebben verwerkt bepalen hoe de mogelijkheden en beperkingen door ons worden ingevuld en kunnen  onze houding, ook onze onbewuste neigingen, veranderen. Een belangrijike rol wordt daarin vervult door een orgaantje in onze hersens, de naam ontgaat mij even, die onze ervaring voorziet van een etiket fijn of pijnlijk, en dat opslaat. Dat begint al als foetus. Drinkt of rookt de moeder? Wordt zij mishandeld? Hoe ligt de foetus in de baarmoeder? Later bestaat die ervaring voor een groot deel uit onze contacten met andere mensen, allereerst met onze ouders, medewerkers etc.. Onze eveneens aangeboren neiging tot imitatie bevorderd deze invloed. Wie het belang van onze sociale kontakten wil evalueren moet maar eens denken aan onze symbolische taal, de grondslag van wat ons het meest onderscheid van andere soorten, onze cultuur, een nieruwe dimensie op onze planeet. Deze taal leren wij alleen door interactie met andere mensen in de eerste jaren van ons leven. Wie deze gelegenheid niet kan benutten, kan dat later niet meer inhalen en kan daardoor ook niet echt mens worden. Daarmee komen wij op het terrein van Köbben. Kortom, wij zijn een – voor een groot deel nog niet voldoende ontwarrde – kluwen van aanleg en aangeleerd. Al veranderd de basis-aanleg niet meer veel na de beboorte, de wijze waarop hij in onze latere instellingen en daden tot uiting komt kan enorm veranderen.

Natuurlijk zijn wij meer dan ons brein, wij zijn gewoon wij, inclusief armen en benen, hart en maag en bovengenoemde informatieve inhoud van ons brein, en dat heeft Swaab nergens ontkend. Het dichtst bij het gebied van Köbben komt Swaab in zijn hoofdstuk over moraal als basis voor een levensvatbare gemeenschap. Conform zijn discipline onderzoekt hij de mentale functies die daarvoor zijn vereist, bv. empathie, en wijst er op dat deze functie ook voor asociale doelen kan worden ingezet, afhankelijk van de situatie en motivaties van het betrokken individu, waaronder bv. de door Köbben genoemde maatschappelijke factoren. Hij noemt met name totalitaire ideologieën en godsdiensten die de natuurlijke richting van ons vermogen tot empathie van diens natuurlijk object, onze medemens, perverteren ten eigen gunste. Hun succes danken zij volgens Swaab aan een – volgens hem eveneens bij veel mensen ‘ingebouwde’ – “neiging om kritiekloos achter de charismatische alfaman/aap aan te lopen”. Ik zou daaraan toevoegen dat veel gelovigen juist in hun meest beïnvlkoedbare jaren en tegelijk met hun taal daarin worden geïndoctrineerd. Swaab daagt ons uit om er wat aan te doen. Wat, dat laat hij over aan de daarvoor aangewezen wetenschapgelijke en filosofische disciplines. Ook antropologie kan daaraan bijdragen, en dat lijkt mij een zinvollere tijdsbesteding dan twisten over de relatieve belangrijkheid van maatschappelijke factoren t.o. van mentale aanleg; succes vereist dat daarbij rekening wordt gehouden met de door hersenonderzoek vastgestelde eigenschappen van ons brein als onderdeel van een programma dat de hele mens omvat. (Zie ook “The unfinished evolution of morals” op deze website onder “international”.)

Samenvattend: de evolutie is een doorlopend proces dat  niet bij de geboorte is opgehouden, ook en in het bijzonder bij het menselijk individu. Er bestaat ook geen zelfs maar enigzins objectieve maatstaf voor relatieve belangrijkheid van een specifieke factor, want de enige objective maarstaf is het gevolg van het genomen besluit, en er is geen vast verband tussen de factor en dit gevolg; dat hangt af can de specifieke omstandigheden.


DEEL DRIE: DE VRIJE WIL.

VRIJE WIL VERSUS DETERMINISME. (VRIJHEID ALS KWALITATIEF CONCEPT). In verband met onze wil wordt traditioneel met ‘vrij’ bedoeld: “niet onderworpen aan causaliteit en determinisme”; ook door genoemde hersenonderzoekers. Uit hun experimenten kan alleen worden afgeleid dat bepaalde besluiten achteraf aantoonbaar het gevolg zijn  van specifieke oorzaken, gelegen in de toestand van de persoon net voordat het besluit wordt genomen. Hun bewijs dat de vrije wil niet bestaat rust op hun conclusie dat een besluit al door het onbewuste systeem is voorbestemd. Deze conclusie is hierboven onder “VOORBESTEMD?” al weerlegd. Ons bewustzijn en onze rede zouden dan zinloos zijn. Hun bewijs is ook overbodig: zonder enige kennis van ons zenuwsysteem kan men het begrip van vrijheid als ontbreken van causaliteit direct naar de prullenmand verwijzen. Immers, zonder determinisme en causaliteit hebben wij geen enkele greep op de gevolgen van een besluit en is denken zinloos. Zoals Hume al zei: “Er is niets tussen determinisme en de dobbelsteen”. De paragraaf “Wie is de baas” bevat een verklaring van de  hardnekkigheid waarmee zelfs filosofen deze conclusie bestrijden, namelijk de vrees dat wij dan niet de (enige) baas zijn over onszelf en onze besluiten, en dus niet vrij. Deze verklaring suggereert ook de oplossing. Elders(*) heb ik een begrip van vrijheid voorgesteld dat overeenkomt met het dagelijks gebruik, empirische inhoud heeft en voldoet aan de eisen van wetenschap en filosofie: “wij zijn vrij wanneer onze besluiten de expressie zijn van onze eigen wil en doelen en deze niet worden verdrongen door de doelen van anderen, hetzij door geweld of door manipulatie van informatie.” Onze eigen wil bestaat wel, ook en juist in  een deterministische wereld.

In de discussie wordt de inzet van ons bewustzijn vaak gezien als de (enige) bron van vrijheid. In het bewijs dat bewust denken wel degelijk ons gedrag kan bepalen, zien velen een verlossing uit het determinisme. Onzin. Ook bewust denken stoelt op ervaring uit het verleden en verwerkt onbewuste impulsen.  Toch voelen wij ons pas echt vrij en verantwoordelijk als onze besluiten bewust zijn genomen. Kant bv. verdeelt ze in ‘heteronoom’ (stoelend op ‘dierlijke’ driften) en ‘autonoom’ (volgens onze rede genomen).  Deze opvatting is gebaseerd op een dualiteit tussen lichaam en geest die thans niet meer houdbaar. Alle wil ontspruit aan een motivatie, een doel, bij Kant een wens. Het overgang van wens tot wil ligt in de opdracht om de actie uit te voeren die is gekozen, om de wens te realiseren. Lammers lijkt zijn bewijs van het niet bestaan van de vrije wil te stoelen op deze opvatting baseren, omdat hij deze baseerd op het aantoenen dat het bewustzijn geen rol van betekenis speelt; , een vergissing.  De vrije wil als ‘onze wil’ is een kwalitatief (“wat is”) concept. Verderop komt een kwantitatieve maatstaf voor vrijheid  aan de orde, evenals het geval dat door een vergissing onzerzijds of puur pech de gekozen actie niet tot het verwachtte resultaat leidt. Deze volgen per deefinitie niet uit onze eigen wil; maar ook niet door de wil van iemand anders, tenzij hij de oorzaak was van de mislukking.

VRIJHEID EN VERANTWOORDELIJKHEID. Algemeen verondersteld men een verband tussen vrijheid en verantwoordelijkheid. Over de prioriteit is men nog niet eens: is men slechts vrij wanneer men verantwoordelijk is, of kan men slechts verantwoordelijk zijn als men vrij is? Dat laatste moet in elk geval kloppen: wij kunnen slechts verantwoordelijk zijn voor onze daden als deze het gevolg zijn van onze wil. Wat het eerste betreft: kan men vrij zijn zonder verantwoordelijk te zijn? Als men bovengenoemde visie op onze wil hanteert, dan kan dat niet: vrijheid is onverbrekelijk verbonden met verantwoordelijkheid, en prioriteit is een kip of ei verhaal. Dat wordt anders indien men i.p.v. “verantwoordelijk zijn” schrijft “verantwoordelijk worden gehouden.”

Velen menen dat iemand slechts verantwoordelijk kan worden gehouden als hij er wat aan had kunnen doen. Daarna verdwijnt de eenstemmigheid. Een groep acht een persoon slechts verantwoordelijk voor een daad indien zij deze bewust heeft uitgevoerd. Deze groep is weer te splitsen na gelang men al of niet veronderstelt dat zij zich ook bewust was of kon zijn van de mogelijke gevolgen. Ik denk dat de laatste groep verreweg de grootste is, want als een persoon zich niet ervan bewust was dat haar daad de gewraakte gevolgen zou kunnen hebben, dan had zij ook geen reden om haar niet uit te voeren. Juist in deze ‘kantiaanse’ groep vindt men de meeste aanhangers van de stelling “men is slechts vrij als men verantwoordelijk is”.

Een andere groep vindt dat men altijd verantwoordelijk is voor de daden die volgen uit de eigen wil, of dat bewust of onbewust is geschied. Ook aan een bewuste keuze liggen altijd drijfveren ten grondslag die men op dat ogenblik had; hun oorsprong ligt in het verleden, en daarover hebben wij geen zeggenschap meer. Het bewustzijn helpt ons slechts bij het maken van een keuze, voornamelijk bij het zeker stellen dat wij alle alternatieven in de besluitvorming hebben betrokken en de gevolgen correct hebben voorspeld. Ook het niet al of niet inzetten van bewustzijn en rede is het gevolg van een meestal onbewuste keuze. Wij zijn wat we nu zijn uit een combinatie van onze geërfde genen, onze opvoeding en wat wij er zelf van hebben gemaakt in interactie met onze omstandigheden.

Blijven over alle gevallen waarin de uitkomst van een door ons gekozen actie niet overeenkomt met de verwachtingen die tot de keuze hebben geleid. Als de mislukking menselijkerwijze voorspelbaar was, bv. omdat men een risico heeft genomen of onvoldoende moeite heeft gedaan, dan blijft men verantwoordelijk. Het kan ook gewoon pech en dus onvoorspelbaar geweest zijn. Dan was het niet onze eigen wil.

Conclusie: als onze (bewuste of onbewuste) wil onze eigen wil was, zijn wij de oorzaak van onze daden en dus daarvoor verantwoordelijk. Zo zien alle sociale dieren het ook. De mate waarin wij controle daarover hadden wordt pas relevant wanneer wij er door anderen verantwoordelijk voor worden gehouden en wanneer deze daaraan gevolgen ontlenen voor hun reactie op onze daad; dat doet zich alleen voor bij de mens. Bij dieren zijn de sociale drijfveren ‘ingebouwd’ en binnen een generatie permanent; alleen de mens kent externe motiveringen die tijdens zijn leven kunnen veranderen, een moraal, die het onderwerp is van discussies en ten dele vastgelegd is in formele regels, onze wetten en rechtssysteem. (Zie deze website: “The unfinished evolution of morals”).

De functie van de moraal is het waarborgen van de vereiste co-existentie en coördinatie door aan overtreding van haar regels negatieve gevolgen, straffen, te verbinden, en (extra) sociaal gedrag te belonen. Allemaal kosten posten. Hun effect is evenredig met de mate waarin een uitvoerbaar alternatief voor het gewraakte gedrag binnen de macht van de pleger lag, dat het zijn wil was. Hij blijft verantwoordelijk, ongeacht of dit gedrag uit een  instinctmatig, onbewust, reflex besluit volgde, of dat er is over nagedacht. Wel loopt is de effectiviteit van sanctie of beloning op met het niveau van bewustzijn en de daaraan gerelateerde mate van aansprakelijkheid. Een schadeloosstelling is in alle gevallen aangewezen.

VRIJHEID ALS KWANTITATIEF CONCEPT.

Vrijheid als kwantitatief concept is verbonden met de hoeveelheid actiealternatieven die in ons brein ter beschikking staan. Zij groeit met het aantal alternatieven die tot het gewenste doel leiden, en neemt af met het aantal dat dit in feite niet doet en aldus een realiseerbaar alternatief verdringt. De alternatieven in onze onbewuste, parallelle informatieverwerking zijn ontstaan uit ervaring, uit inductie, en vastgelegd in genen en geheugen. Via verbeelding kan onze bewuste informatieverwerking nieuwe alternatieven bedenken en aldus onze potentiële vrijheid doen toenemen. Via de rede kan onze sequentiële informatieverwerking alle alternatieven controleren op realiseerbaarheid en de alternatieven met een negatief resultaat elimineren; daardoor vergroot zij onze reële vrijheid.

Door inzet door zowel onze verbeelding als onze rede kunnen wij het aanbod van alternatieven vrijwel onbeperkt uitbreiden, en ons beschermen tegen verkeerde besluiten en misleiding door anderen. Onze wil is dan zo vrij als mogelijk op deze wereld.

CONCLUSIE: De vrije wil bestaat alleen als eigen wil. De mate van vrijheid loopt op met het aantal realiseerbare gedragsalternatieven. Deze varieert per individu en is maximaal bij inzet van ons bewuste denken.

OPMERKING: De bedoeling van dit stuk is om een gemeenschappelijke basis van concepten en verbanden te bieden die integratie van diverse disciplines mogelijk maakt en empirische inhoud eraan kan geven. Die inhoud zelf moet door de betrokken wetenschappen worden geleverd. Bv. kan men van het hierboven gezegde niet afleiden dat een bewust genomen besluit altijd beter uitvalt dan afgaan op onze intuïtie of het volgen van onze eerste, onbewuste  impuls.

DEEL VIER: KAN HET MENTALE WORDEN VERKLAARD UIT HET NEURALE? (met referentie aan Catherine Malabou’s werk “Wat te doen met ons brein”)

Het antwoord is ja, mits men tot het neurale niet alleen rekent hoe het brein in elkaar zit, maar ook zijn functie, wat wij ermee doen. Swaab cs. doen macro-onderzoek van onze hersenen; het gaat over hersengebieden, amygdala, frontale kwab etc.. Zij onderzoeken de verandering van de functie van de deze gebieden als gevolg van een verandering in hun structuur door een gebeurtenis, door het vergelijken van hun functie voor gebeurtenis te vergelijken met hun functie daarna, zij gebruiken de methode van de comparatieve statica. Andere hersenonderzoekers – bv. Jeaan Pierre Changeux – doen micro-onderzoek, van neuronen, synapsen, dendrieten en axonen, en kijken naar wat deze doen en hoe zij veranderen, niet alleen door externe gebeurtenissen maar ook door eigen activiteit. Zij zijn het die uit de impulsen vanuit omgeving beelden vormen, betekenis geven. Een doorlopend proces waardoor de ene toestand overgaat in de andere en dat geheel brein-intern kan plaats vinden met als bijzonderheid dat daarmee niet alleen de inhoud, de betekenis, van neuronen veranderd, maar ook de neuronen zelf en hun aanhang. Hun methode is dynamisch en toont een dynamiek die de macro-onderzoekers wel eens ontgaat.

Dat alles zijn neurobiologische processen in ons brein, en ook in het brein van alle hogere dieren. Daarover bestaat geen misverstand meer. De strijdt gaat over de vraag: ‘is dat alles’? Moet de psychologie als wetenschap daarvan uitgaan? Is het bewustzijn, en bv. de wiskunde, daaruit te verklaren? De aanleiding van dit stuk is een boek van de Franse filosofe Catherine Malabou (-  “Wat te doen met ons brein?”), aanbevolen in de NRC met een artikel van Ger Groot als “een  dappere poging waarmee ze alle onderzoeksterreinen met elkaar wil verzoenen”. Als dat haar voornaamste doel was geweest, dan had het een aanbevelenswaardig boek kunnen worden. Dat is niet zo. Haar doel was politiek: het kapitalisme als ‘verslavende’ ideologie te ontmaskeren en te streven naar een ‘biologisch andersglobalisme’. Haar strategie is om alles wat wij weten over ons brein en denken te persen in het keurslijf van Hegel’s filosofie,  via een argumentatie die de regels van de wetenschap en ‘Socratiaanse’ filosofie aan haar laars lapt. (zie Catherine Malabou).

Ik heb haar boek hier genoemd omdat de ‘hefboom’ van haar argumentatie de stelling is dat er tussen het neurowetenschappelijke onderzoek en een verklaring van onze geest, onze identiteit, ons bewustzijn een spleet bevindt die niet door wetenschappelijk onderzoek van ons brein overbrugt kan worden, omdat “het mentale een inherente historische dimensie heeft”. De stelling volgt niet uit dit axioma, want ook ons ‘bioneurale’ kent zulk een dimensie. Het neurowetenschappelijk onderzoek kan thans nog geen volledige verklaring kan geven van het mentale. Daarvoor zou een film nodig zijn van het hele neurale proces, bv. van bewust denken, waarbij alle staten en veranderingen van individuele neuronen, synapsen, dendrieten etc., en de patronen die zij genereren, zichtbaar worden gemaakt en kunnen worden gevolgd. Dat is er nog niet. (In haar zeven jaar latere gepubliceerde nawoord erkend zij dat het onvermijdelijke bestaan van deze kloof een vergissing was.) Haar poging blijft slechts een van de vele die het algemene gevoel vertolken dat een beschrijving van de ‘mechaniek’ van onze hersens onvoldoende is om onze geest te verklaren.

Ddit gevoel is terecht. Kwabben, amygdala, neuronen, dendrieten etc., en hun verbindingen, zijn puur natuurkundige materialen en instrumenten. Zij zijn het papier, inkt en lettertekens van een boek. Een product, maar geen eindproduct. Dat eindproduct is informatie, ons brein is een informatievormend en verwerkend orgaan. Een boek is pas een boek wanneer zijn lettertekens een taal vormen die aan de lezer bekend is, of via een ander (woorden)boek bekend zou kunnen worden. Ook woorden zijn slechts een middel om tot het echte eindproduct te komen: betekenis. Deze betekenis moet er al zijn voordat het woord gelezen is: alle informatie is opgebouwd uit iets dat er al was. Dat ‘iets’  kan zowel een extern als een intern object of gebeuren zijn. Een verandering kunnen wij slechts zien wanneer wij een beeld hebben van de toestand daarvoor. Elk brein van een dier kan vergelijken, heeft dus toegang tot zijn eigen beelden en kan deze manipuleren, kan er conclusies uit trekken. Deze kunnen ook worden opgeslagen in ons geheugen en behoren dan tot het virtuele substraat, onze interne betekenissen die beschikbaar zijn voor het verwerken van nieuwe impulsen uit de omgeving die wij via onze zinnen ontvangen of die onze hersenen via ongestuurde, ‘toevallige’ activiteit (dromen) hebben geschapen. Het mentale bestaat uit deze activiteit; de relatie tussen de beschrijving van onze hersenen en de geest is van dezelfde aard als die tussen benen en lopen. Het mentale, de geest in onze hersenen is wat wij met het fysieke brein kunnen doen en hebben gedaan. Dat laatste is weer onderdeel van het proces dat ons brein nieuwe vorm kan geven en in elk geval van nieuwe inhoud voorziet: ons brein is doorlopend in wording. Dat, en niet Helgel’s, is de echte historiciteit van ons bestaan.

De vraag uit de titel van Malabou’s boek: “Wat te doen met ons brein?” is dus een noodzakelijke aanvulling op Swaab’s “wij zijn ons brein”, alleen haar uitwerking voldoet niet. Laten wij Descartes aanbeveling volgen en haar vraag zonder de ballast van filosofen benaderen, dan is het antwoord duidelijk: “dat waarvoor het is bedoeld”. De primaire functie van een centraal zenuwstel is het sturen van ons vermogen tot handelen zodat het meer energie, levenskracht oplevert dan de handeling conform de tweede wet der thermodynamica onvermijdelijk verbruikt (zie deel een, tweede alinea). Dat geldt voor een muis en dat geldt voor een mens. Onze activiteiten moeten een surplus opleveren door gebruik van informatie (zie Maxwell’s demonen) Wanneer men dit surplus zou kunnen uitdrukken in geld, dan heet het winst. Winst verdient geen negatieve connotatie zolang zij bestaat uit een surplus voor…, ja voor wie? In de natuur is dat, in aflopende volgorde van belangrijkheid: de levende wereld, de soort, (voor sociale wezens) de groep, en uiteindelijk het individu (al genoemd door een Franse denker wiens naam mij even ontsnapt). De evolutie van dieren heeft geleid tot wezens die daaraan voldoen. De evolutie van de mens niet. Ons brein, met zijn  bewustzijn, denkvermogen en daaruit volgende techniek heeft onze lichamelijke beperkingen opgeheven. Het bewustzijn heeft ook onze aangeboren sociale instincten en neigingen ontdaan van hun dwingendheid; zij zouden in elk geval onvoldoende zijn om aan de eisen van een huidige mensenmaatschappij te voorzien. Door ons technisch vermogen hebben wij de ‘natuurlijke’ rangorde kunnen omdraaien… voorlopig. Dat is de echte oorzaak van de door Malabou gesignaleerde vervreemding, “Weltschmerz”. Het kapitalisme is niet de oorzaak, maar een gevolg daarvan. De nog niet erkende en daarom ook onvervulde taak is om de natuurlijke rangorde te herstellen (zie ook “The unfinished evolution of morals” op mijn website.) De politieke en economische orde dient daar te voldoen.

(*)In haar nawoord in de Nederlandse editie komt Madelou terug op haar oproep tot een revolutie en bekend dat zij geen antwoord heeft op het kapitalisme: “Ik erken volmondig dat mijn betoog uit 2004 ook iets naïefs had” (pag 142). Toch neemt zij geen afstand van de opvatting dat het kapitalisme de bron van al het kwaad is, en van de Hegeliaanse dialectiek (zie ook Marcuse, “Reason and Revolution),  getuige de op een na laatste zin van har boek: “Ontsnappen (uit het kapitalistisch systeem, aut.) komt misschien neer op het inzicht dat de biologische subjectiviteit een soort wapen is, dat zodanig kan worden ontwikkeld dat ze niet meer louter de spiegel is van het systeem, maar het systeem kan doen exploderen.” Het is bizar dat iemand die het verlies aan vrijheid en identiteit door de ‘geest’ van het kapitalisme aan de orde stelt, en zelf niet beseft hoe gevangen zij zit in de ‘geest’ van Hegel.

(*) The Conceptual Foundations of Decision-making in a Democracy