Oorspronkelijk artikel Hersenonderzoek en mensbeeld.

Door: Peter Pappenheim

Hersenonderzoek en mensbeeld.

Alle theorieën der sociale wetenschap en filosofie stoelen op een mensbeeld dat eraan voorafgaat, en waarin de meest recente bevindingen der wetenschap dienen te zijn verwerkt. Een tweeluik in de NRC van de neurowetenschappers prof. Swaab (12/6/2010) en prof. Lamme (19/6/2010) willen daaraan bijdragen, en de feiten die zij noemen doen dat ook. Wel valt wat aan te merken op de conclusies die zij daaruit trekken, met name over de rol van rede en bewustzijn. Ik heb het boeiende boek van Prof. Lamme gelezen: “De vrije wil bestaat niet. Over wie echt de baas is in ons brein”, en was al bekend met enkele experimenten. Onderstaand voorbeeld illustreert mijn bezwaren.

Men heeft proefpersonen een paneel gegeven met twee knoppen, een linkse en een rechtse, en  de opdracht om één ervan in te drukken. Ondertussen observeerde een hersenscan hun hersenactiviteit. ‘Rechts’ en ‘links’ zijn vertegenwoordigd door verschillende gebieden in het brein. Het bleek dat vrijwel onmiddellijk na de opdracht één ervan werd geactiveerd en dat men altijd de knop indrukte die correspondeerde met het geactiveerde gebied… maar gemiddeld zes seconden nadat het was geactiveerd. Pas bij dit indrukken werden de proefpersonen zich daarvan bewust. Men concludeerde dat het indrukken van de betrokken knop al zes seconden ‘voorbestemd’ was. Ten onrechte: het besluit is pas voltooid met de opdracht aan de hand om de knop in te drukken. Stel dat twee seconden na het eerste oplichten van ‘rechts’ een bij op deze toets was geland. Niemand zal toch beweren dat men dan niet van toets zal veranderen. Men kan pas een oordeel vellen als men ook deze vertraging heeft verklaard, en dat is gemakkelijk.

Zoals ook Lamme schrijft, lopen bij het gros der levende wezens alle  besluitvormingsprocessen parallel, naast elkaar en door elkaar, en ook bij de mens worden verreweg de meest besluiten aldus genomen. Het bewustzijn speelt daarbij geen rol. Zo kunnen veel besluiten tegelijk worden genomen met een snelheid van fracties van een seconde. Dit proces moet derhalve doorlopend en uit zichzelf actief zijn. In bovengenoemd experiment heeft het dan ook onmiddellijk een besluit genomen, dat de proefpersoon zich per definitie niet kan herinneren. Daarnaast kent de mens een andere verwerking van informatie, namelijk de sequentiële, waarbij de verschillende stappen van een besluit apart worden bekeken en waarvan men zich derhalve bewust moet zijn. Een kerntaak ervan is om de gevolgen van een keuze te bepalen. Dit proces is vele malen langzamer en eist veel meer energie , bv. voor concentratie. Het word slechts actief als daartoe een aanleiding is. De context van het experiment is zulk een aanleiding. Daartoe dienen de zes seconden, met als conclusie dat er geen verschil in gevolg is tussen beide toetsen en er geen rede is om van de ‘intuïtieve’ keuze af  te wijken. Niks ‘voorbestemd’.

Wat mij verbaasd is dat de auteurs geen belangstelling tonen voor de vraag: wat gebeurde er in die zes seconden? Zaken zoals bewustzijn, het ‘ik’ en de vrije wil, zijn  thans nog niet door neurologisch onderzoek aanwijsbaar. Wellicht hebben zij daarom hun conclusies niet ingebed in een algemeen aanvaard beeld van wat het leven is dat recht doet aan de recente bevindingen van de moleculaire biologie, die ingrijpende gevolgen hebben voor de inhoud van de concepten en de methoden van de mens-wetenschappen en filosofie, en die ik elders heb beschreven (*). Een van de methodologische conclusies is dat de functie (niet het nut) die een element van een levend wezen vervult, een legitiem en zelfs voor de hand liggend concept is voor  het begrijpen ervan. De functie van ons zenuwstel, incluis is ons brein, is het registreren, bewerken en doorgeven van informatie als onderdeel van de hele besluitvorming.

Een besluit begint met de motivering, in de letterlijke zin van “op gang brengen”; Het  bevat verder vergaren, c.q. mobiliseren van kennis omtrent de relevante omstandigheden, een inventarisatie van de beschikbare actiealternatieven, een evaluatie van hun gevolgen, het rangschikken van deze alternatieven volgens de waardering van de gevolgen in termen van de doelen en voorkeuren van het betrokken individu, en eindigt met een (of geen) opdracht tot actie aan bv. spiervezels. Veel ervan is – conform de auteurs – bepaald door hoe ons brein is gevormd via genen en ervaring, en ligt dus al vooraf vast; maar niet alles. Het vergaren van informatie omtrent de omstandigheden, de inventarisatie van de alternatieven en de evaluatie van de gevolgen ervan kan – en moet vaak – gedurende de besluitvorming gebeuren. Dat bepaald of  het besluit ‘goed’ of ‘slecht’ zal blijken als het wordt uitgevoerd.

Als besliskundige valt mij op dat dit laatste, de doelmatigheid van een besluit, noch bij Lamme, noch bij Swaab een rol van betekenis speelt. De vraag “goed of slecht” leidt vanzelf tot de vraag: “voor wie?” Een actie heeft altijd gevolgen voor meer dan het brein: het besluit moet goed, en in elk geval niet slecht zijn voor de hele mens. Het verzekeren van deze totaaldoelmatigheid vormt de voornaamste functie van ons (zelf)bewustzijn en onze rede. ‘Het IK’ bestaat inderdaad niet, maar “ik” – als verwijzing naar ondergetekende – bestaat wel, evenals de ervaring daarvan als zelfbewustzijn, met als belangrijke functie om te zorgen voor de nodige coördinatie van onze besluitvorming en wordt ‘geïnterioriseerd’ in ons  onderbewustzijn. Dat wij met ons zelfbewustzijn – in Lamme’s woorden ons denkende “ikje” – slechts een heel klein deel zien van wat zich allemaal in ons brein afspeelt ligt voor de hand: wij focussen op wat belangrijk lijkt; meer zou verspilling zijn, en ‘alles’ is onmogelijk. Dat ‘kleine beetje’ reflectie en rede is wel wat mensen onderscheidt van andere levende wezens. Aan haar hebben wij onze hele civilisatie, ook de neurowetenschappen, te danken.

Leven is een continu proces waar alle delen van een levend wezen aan meewerken. “Wie is de baas?” is dan ook een weinig zinnige vraag, want ‘baas over X’ heeft alleen betekenis als ‘baas’ en ‘X’ niet samenvallen. Interne strijd over wie de baas is kan wel voorkomen, maar alleen bij de bewuste, rationele besluitvorming, namelijk wanneer deze tot een ander besluit leidt dan de intuïtieve. Oorzaak is vaak een verschil in tijdshorizon. Welke het wint hangt af van de instelling van het betrokken individu. Als het bewuste wint, geeft dat een prettig en niet onredelijk gevoel van baas zijn over zichzelf; onze interne dialoog is meer dan kwebbelen.

Dan de vraag: “bestaat de vrije wil?” Met ‘vrij’ bedoelen zij: niet onderworpen aan causaliteit en determinisme. Hun bewijs is ten eerste niet sluitend omdat de bewuste, rationele,  besluitvorming onvoldoende aan bod komt. Het is ook overbodig: zonder enige kennis van ons zenuwsysteem kan men dit begrip van vrijheid direct naar de prullenmand verwijzen. Immers, zonder determinisme en causaliteit hebben wij ook geen intellectuele greep op de gevolgen van een besluit; denken is dan zinloos. Zoals Hume al zei: “Er is niets tussen determinisme en de dobbelsteen”. Het vorige alinea bevat de verklaring van de  hardnekkigheid waarmee zelfs filosofen deze conclusie bestrijden, namelijk de vrees dat wij dan niet de (enige) baas zijn over onszelf en onze besluiten, en dus niet vrij. Deze verklaring suggereert ook de oplossing. Elders(*) heb ik een begrip van vrijheid voorgesteld dat overeenkomt met het dagelijks gebruik, empirische inhoud heeft en voldoet aan de eisen van wetenschap en filosofie: “wij zijn vrij wanneer onze besluiten de expressie zijn van onze eigen wil en doelen en deze niet worden verdrongen door die van anderen, hetzij door geweld of door manipulatie van informatie.” Onze eigen wil bestaat wel, ook en juist in een deterministische wereld. Door inzet van onze rede en verbeelding kunnen wij vrijer zijn dan andere wezens, omdat wij het aanbod van alternatieven vrijwel onbeperkt kunnen uitbreiden en ons beschermen tegen misleiding en verkeerde besluiten. Onze wil is dan zo vrij als mogelijk op deze wereld. Het is goed dat de auteurs ons wijzen op de grenzen ervan, maar de eenzijdige presentatie in beide artikelen is geen aansporing om zich de moeite en discipline te getroosten die een rationele besluitvorming eist. Vandaar dit stuk.

Peter Pappenheim

Econoom en besliskundige

(*) The Conceptual Foundations of Decision-making in a Democracy.