Oorspronkelijk ingezonden Geloof, Rede en Democratie

Door: Peter Pappenheim

GELOOF, REDE EN DEMOCRATIE.

Niet rationalisme, maar democratie eist dat geloof in de politiek alleen als  individuele keuze van een politicus een rol kan spelen. Hij kan daaraan wel zijn inspiratie ontlenen, maar geen status aparte: Geloof levert geen geldig argument bij het bepalen van een beleid.

Een achterhaalde dovemansdiscussie. Achterhaald omdat de revolutionaire wetenschappelijke bevindingen van de laatste vijf decennia op het gebied van leven en informatie er niet in zijn verwerkt. Die stellen ons mensbeeld en de gehanteerde concepten in een ander daglicht, waardoor veel tegenstellingen kunnen worden opgelost… indien men dat wil! Een dovemansdiscussie omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor een vruchtbare discussie  een gedeeld en geldig concept van democratie, van het wezen van de rede en haar logica  incluis het daaruit afgeleide stelsel van regels voor argumentatie, en van de wetenschap.

Om met de rede te beginnen: In de hiërarchie van levende systemen is het informatieverwerkend vermogen van de rede een van de hoofdkenmerken waarmee de mensheid zich onderscheidt van andere levende wezens en waaraan zij haar dominante positie dankt. Deze rede staat dus terecht op een hoge plaats in het huidige mensbeeld, maar op een andere wijze dan in het tijdperk der  Verlichting. Door Kant is haar een a priori, een eigen, buiten het denkende subject gelegen en dus transcendentaal bestaan toegedacht, en in zijn tijd was dit de enige beschikbare verklaring. Thans weten wij, of horen wij te weten, dat men dit a priori moet opvatten als liggend in de verleden tijd. De rede gaat ipso facto aan haar toepassing vooraf, zij wordt ons meegegeven in onze wording tot een mens, via genen en vroege ervaring. Evenals Kant’ categorieën stoelt de rede op – in onze hersenen geprogrammeerde – functies waarmee wij trachten vat te krijgen op de wereld die ons omgeeft. De rede zelf, met name de logica en haar afgeleide, de wiskunde, gaan alleen over deductie, over verbanden die wij willen leggen tussen van elders afkomstige ervaringen, tussen feiten. Haar aanspraak op geldigheid ontleent zij aan haar succes. Gebeurtenissen die haar tegenspreken noemen wij een wonder, en daarop kan men niet bouwen. In haar algemene geldigheid ligt ook haar beperking: uit de rede alleen kan men geen enkele uitspraak afleiden  over de wereld, over feitelijke zaken. We kunnen alleen bepalen of een uitspraak voldoet aan haar regels van deductie of niet. Uitspraken die daaraan niet voldoen kunnen niet worden beoordeeld in termen van waarheid of waarschijnlijkheid. In de besluitvorming bieden zij geen voordeel boven het gooien van dobbelstenen. Het desalniettemin toekennen van een hogere waarschijnlijkheid is misleiding. In feite accepteert een ieder deze regels die – zeker in de logica der predikaten – met eenvoudige voorbeelden zijn te staven.

Het artikel “Geloven en politiek bedrijven gaan goed samen” van André Rouwvoet in de NRC van 23/11, over de plaats van geloof in een democratische politiek, was de directe aanleiding tot dit artikel. Hij en enkele van zijn tegenstanders stellen de discussie in termen van absolute waarheid, maar dat is een begrip uit de religie. De ‘verlichtingsfundamentalist’ die stelt dat alleen de rede de wereld kan verklaren en de rationalist die elke religie a priori als onwaar zou afwijzen, zijn geen echte wetenschapper, zijn niet ‘verlicht’, zijn irrationeel. Volgens Sjoerd de Jong (NRC van 29/11/05) stond in een eerdere notitie van de VVD over inburgeren dat “culturen die de autonomie van het individu niet erkennen buiten de morele waarheid staan”. Gelukkig is deze fundamentalistische onzin niet in het liberale manifest terechtgekomen:  Juist de rede zegt ons dat de moraal, die gaat over ‘hoe het zou moeten zijn’, niet vatbaar is in termen van waarheid die gaat over ‘hoe het is’. De kern van de verlichting is dat niemand de waarheid in pacht heeft. Rouwvoet’s geloof zoekt een boven de mens staande waarheid in wat de bijbel zegt over de Schepper en zijn schepping. De wetenschapper zoekt alleen kennis over de schepping, en wel in de schepping zelf via zijn waarnemingen, geordend door de rede. Hij onderzoekt alleen ‘hoe het is.’ Waarheid voor hem betekent “thans het meest waarschijnlijke”. Volgens de logica kan het argument van de voorstanders van “intelligent design” – dat de wetenschap er nog niet in is geslaagd om alle aspecten van onze wereld te verklaren – op geen enkele wijze leiden tot de conclusie dat er “iets” anders moet zijn,  evenmin als de wetenschap kan bewijzen dat zoiets er niet is.  In de politiek is het meest relevante verschil tussen geloof en wetenschap de rechtvaardiging van het besluit om een uitspraak te aanvaarden over ‘hoe het is’, over de feiten. Een besluit, ook op het gebied van het geloof, wordt altijd door mensen genomen. Bij het nemen van een maatschappelijk besluit is daarom de kernvraag: wie heeft de autoriteit, c.q. de macht, wie heeft het laatste woord? Dat geldt ook bij het vaststellen van een  feit.

De basis voor de evaluatie van een besluit is zijn doel. Zonder expliciete vaststelling van het doel der deelnemers blijft de discussie voornamelijk een ‘imperialistische’ poging om het eigen doel met alle middelen aan de toehoorder op te dringen. De rede, de logica en de wetenschap gaan in de besluitvorming voornamelijk over (causale) verbanden tussen feiten teneinde de kans te bepalen dat een alternatief zal leiden tot het doel van het besluit. Daarbij veronderstelt zij dat de gehanteerde weergave der feiten (waartussen het verband wordt gelegd) correct en – in deze betekenis ‘waar’ – is. Politiek gaat over de maatschappelijke orde die als taak heeft het waarborgen van samenleven en samenwerken (dit laatste word vaak over het hoofd gezien, maar is voor de mensheid een levensvoorwaarde). Dit geldt voor elke duurzame maatschappelijke orde, en daarmee ligt in elk geval een doel vast. Daarnaast kan men nog één ander doel vaststellen dat de aard van deze orde bepaalt. In Nederland is dat democratie. Om effectief te zijn moeten deze twee doelen prioriteit hebben boven alle andere.

Zonder nadere definitie, met name van haar tweeledig doel, is democratie’ slechts een stel letters. Dat de onderhavige discussie nog niet is beslecht bewijst wat ik al in 1968 heb ontdekt heb als bestuurslid van de afdeling Rotterdam van D66, namelijk dat er geen eenduidige, algemeen aanvaarde en operationele definitie van democratie was en – getuige de huidige stand van de politieke filosofie – is dat nog steeds zo. Iedereen kan tussen formele en inhoudelijke democratie, tussen vrijheid en gelijkheid etc. navigeren zoals het hem uitkomt. Zoals ik heb aangetoond (*) is een eenduidige, operationele en algemeen aanvaardbare definitie wel  mogelijk. Zij stoelt op één beginsel, een doel, dat alle visies over democratie gemeen  hebben: men accepteert niet dat een individu, of groep individuen, a priori autoriteit zou mogen hebben over andere individuen. Niet omdat dit beginsel waar zou zijn, of een natuurwet ed. Het is een subjectieve keuze die men kan aanvaarden of verwerpen. Het is geen een ideologie, het gaat over ideologieën, het ontkent slechts dat iemand het recht zou hebben om anderen een ideologie op te dringen. Wie deze keuze verwerpt heeft daarbij elk weerwoord verspeeld als wij hem een keuze opleggen die hij niet deelt. Met dit beginsel, en alleen met dit beginsel, is tegelijkertijd het doel en de autoriteit bepaald en ontloopt men de paradox tussen procedurele democratie (stemrecht) en inhoudelijke democratie (gelijkheid zonder dictatuur van de meerderheid). Er bestaat geen christelijke, geen islamitische, geen communistische, geen kapitalistische  democratie, er bestaat alleen democratie waarin bepaalde ideologieën door de grootte van hun aanhang een wat andere inkleuring geven binnen het raamwerk dat door de eisen van democratie wordt afgebakend. Dit raamwerk bepaalt en beperkt de rol die ideologie/geloof kan spelen.

In de maatschappelijke besluitvorming eist het democratisch beginsel dat uitspraken over de te hanteren feiten zoveel mogelijk door alle burgers te toetsen zijn in termen van overeenstemming tussen de uitspraak en feit, hetgeen bevorderd wordt door te streven naar maximale objectiviteit via eliminatie van onnodige subjectieve elementen. Dat is precies de basis van wetenschappelijke uitspraken. In deze toetsbaarheid ligt het principiële verschil tussen geloof en wetenschap. Een wetenschapper weet dat een menselijke uitspraak  nooit aanspraak kan maken op absolute waarheid, maar stelt dat de wetenschappelijke kennis de grootste kans heeft om de feiten zo correct mogelijk in te schatten. Zijn uitspraken zijn in principe toetsbaar voor allen die het vermogen tot rede hebben, en ook christenen zoals Rouwvoet zijn daarmee begiftigd. Wanneer in de maatschappelijke besluitvorming bij het vaststellen der feiten een tegenstelling ontstaat tussen geloof en wetenschap, dan dient deze laatste in een democratie te prevaleren; daarmee wordt een andere opvatting bestempeld als zijnde minder waarschijnlijk, niet per se als onwaar. De wetenschapper die, via inzet van de hem door de Schepper gegeven zintuigen en denkvermogen, naar eer en geweten tracht zoveel mogelijk te weten te komen over de schepping kan daardoor nooit in conflict komen met de Schepper, alleen met de opvatting van andere mensen. Het conflict gaat dan ook niet over waarheid maar over de uiteindelijke autoriteit in wereldlijke zaken, en wordt beslecht door de keuze van een bepaalde maatschappelijke orde. Is dat democratie, dan heeft dit b.v. gevolgen voor de primaire eis die de staat moet stellen aan het onderwijs voor erkenning en financiering. De opleiding moet de leerling voorbereiden op samen leven en werken met alle andere Nederlanders door hem de daarvoor nodige (wetenschappelijke) kennis, algemene vaardigheden en democratische deugden bij te brengen.

In de politiek komen wij God nooit tegen, alleen individuen en organisaties die een bepaald geloof aanhangen en zich daardoor laten inspireren. In een democratie is dat hun goed recht, maar slechts als een persoonlijkheidskenmerk waaraan zij geen aparte status, geen autoriteit  kunnen ontlenen t.o.v. andere kenmerken en opvattingen. Het geloof kan volop meedoen in de maatschappelijke discussie, maar bij het nemen van een besluit mag de politiek zich nooit laten leiden door een bepaalde geloofsopvatting; “Het staat in de Bijbel of Koran” is geen geldig argument. Gezien de functie van een grondwet in een democratie is de verwijzing naar de joods-christelijke traditie terecht buiten de Europese grondwet gehouden. Dit secularisme is een onvermijdelijk attribuut van democratie en staat niet tegenover welk geloof dan ook, het staat erbuiten. Democratie  maakt geen aanspraak op absolute waarheid, zij blijft een subjectieve keuze gebaseerd op de evaluatie van alternatieve en elkaar uitsluitende vormen van maatschappelijke orde. Dat impliceert  een oordeel over de zegeningen van religie in de politiek. Daarover is wel een zinnige, of in elk geval boeiende discussie mogelijk.

(*) THE CONCEPTUAL FOUNDATIONS OF DECISION-MAKING IN A DEMOCRACY.
P.Pappenheim, 2003, ISBN 90-5613-072-2.