Catherine Malabou: van neuronen naar revolutie.

Door: Peter Pappenheim

Haar boek, “Wat te doen met ons brein”,  was aanbevolen in de NRC en daar besproken door Ger Groot. Hij was niet erg enthousiast, maar heeft haar ongerijmdheden en zonden tegen wetenschappelijke argumentatie niet expliciet aan de orde gesteld. Haar conclusie dat de kapitalistische maatschappij moet worden vernietigd en dat zulks een revolutie vereist volgt geheel niet uit de door haar aangevoerde bevindingen van de neurowetenschappen.

Swaab cs. doen macro-onderzoek, zij bekijken hersengebieden, amygdala, frontale kwab etc.. Zij onderzoeken wat de gevolgen zijn van gebeurtenissen door de situatie daarvoor en die daarna met elkaar te vergelijken, zij gebruiken de methode van de comparatieve statica. Waar op de filosofische conclusies die zijn collega-hersenonderzoeker Victor Lamme trekt uit zijn experimenten het een en ander valt aan te merken (zie mijn website), is Malabou een filosofe die uit gaat van micro-onderzoek, van neuronen, synapsen, dendrieten en axonen, ze kijkt naar wat deze doen, hoe ze veranderen etc. Haar onderzoek is dynamisch. Haar objecten zijn neuronen met hun synapsen, dendrieten en axonen, en het doorlopend proces waardoor de ene toestand overgaat in de andere, een proces dat geheel breinintern kan plaats vinden met als bijzonderheid dat daarmee niet alleen de inhoud, de betekenis, van neuronen veranderd, maar ook de neuronen zelf en hun aanhang; zij vertonen een dynamiek die de macro-onderzoekers wel eens ontgaat, zij worden.

Malabou haalt haar gegevens bij erkende hersenonderzoekers, en ik ga ervan uit dat dit correct is. Dat kan men helaas niet zeggen van de filosofische conclusies die zij daaruit trekt, zoals samengevat (zie de achterflap) door Slalof Zizek als: “Catherine Malabou toont ons de huiveringwekkende parallellen tussen het model van de menselijke geest van de neurowetenschappen en de structuur van het hedendaagse kapitalisme. Een fenomenale prestatie.” Wie haar boek leest komt tot de conclusie dat de ‘huiveringwekkende parallellen’ ontstaan doordat zij de ‘onze geest en de structuur van het  hedendaagse kapitalisme’ benaderd met het begrippenapparaat van de hegeliaans/marxistische ideologie/filosofie, en haar – al vooraf vaststaande – conclusies met een aantal kunstgrepen  in deze dwangbuis perst. Zij is aldus een getrouwe volger van de professionele revolutionair Zizek.

Malabou’s doel is om (pag 7/8/) de lezer bewust te maken dat hersens niet alleen een geschiedenis hebben, maar een geschiedenis zijn, om te stellen dat er een historiciteit bestaat die de hersens constitueert: “Het gaat nu  niet meer om ons af te vragen of brein en bewustzijn een en hetzelve zijn – een oud schijndebat …  het gaat om het constitueren van de eigenaardige, kritische entiteit, die zowel filosofisch, wetenschappelijk als politiek is, van wat een bewustzijn van de hersenen zou kunnen zijn. Tot deze onderneming, die voor een ieder open staat, worden we uitgenodigd door de vraag: wat te doen met ons brein?” Ik kan niet zeggen dat deze zin voor mij glashelder is. Gelukkig brengt zij enige duidelijkheid op pag 24: “De vraag die richting geeft aan deze tekst, dient dus als volgt te worden geformuleerd: wat te doen om te voorkomen dat ons bewustzijn van ons brein niet zonder meer samenvalt met de geest van het kapitalisme.

Haar kapstock is het begrip plasticiteit als vermogen om een vorm te ontvangen (klei) als om een vorm te geven (beeldend kunstenaar). De hersens hebben beide vermogens, en het bijzondere is dat zij ook zichzelf kunnen veranderen. Verderop (blz. 14) vult zij dit begrip aldus aan: “… plasticiteit duidt ook op het vermogen om de vorm die kan worden ontvangen of geschapen, juist teniet te doen. Laten wij niet vergeten dat ‘plastic’ het materiaal levert voor de plastic bom … waarmee een forse ontploffing kan worden veroorzaakt. … plasticiteit neemt een positie in tussen twee uitersten: de zintuiglijk waarneembare vormgeving en aan  de andere kant de vernietiging van elke vorm (explosie).” Onzin; plastic in deze zin is slang voor kneedbommen, maar het gekozen woord refereert niet aan hun explosiviteit, maar aan hun kneedbaarheid; het explosieve element is het materiaal dat wordt gekneed, bv. semtex. Als zodanig heeft het niets te maken met de plasticiteit zoals hierboven gedefinieerd. Het doet dienst als een stiekeme opstap naar Hegel’s negatie. In feite vernietigt elke verandering van een vorm deze in meer of mindere mate, anders was het geen verandering. Maar het hoeft niet in een klap. Totale vernietiging van een vorm is onverenigbaar met de ‘natuurlijke’ vorm van verandering: evolutie. Revolutie als versnelde evolutie is o.k., maar alles vernietigende revoluties zijn vaak erger dan het kwaal. Het opkomen van een nieuwe vorm, (synthese), kan een mogelijke oorzaak zijn van vernietiging van een bestaande vorm (these), en alleen in deze zin is zij een negatie ervan, maar deze gaat er niet aan vooraf.

|Dat neemt niet weg dat – mits ontdaan van alle andere connotaties, zoals ‘explosief’ –plasticiteit, zoals gedefinieerd door Marabou, het een bruikbaar begrip lijkt voor het uitdiepen van die onderwerpen die in Swaab’s macro-beeld niet aan de orde kunnen komen en door hem ook niet aan de orde zijn gesteld. Met name gaat het Marabou om de invloed van onze sociale omgeving aan de vorming van ons brein. Niet zozeer geografisch, maar van de potentie van individuele neuronen en hun verbindingen, om de ‘inhoud’ ervan: “Het idee van een werkelijk levend brein” (dat vereist overeenstemming over wat het leven is).

Pag 53: “De vraag die zich dan onvermijdelijk aandient, is hoe op plastische wijze te reageren op de plasticiteit van de hersenen. Wanneer het brein het orgaan is dat de biologische bestemming heeft om zijn biologische bestemmingen bij te buigen, wanneer het brein in zekere zin een orgaan is dat zich ontwikkelt, welke ontwikkeling, welke cultuur zou daar dan bij passen? Waarbij het niet meer mag gaan om een cultuur van biologisch tegendeterminisme, anders gezegd niet meer om een cultuur die tegen de natuur in gaat. Wat voor cultuur past dus bij de neurale bevrijding? Wat voor wereld? Wat voor samenleving?”

Er bestaan geen biologische bestemmingen, alleen maar functies, ‘wat je ermee kan doen’. Die van de hersens is om onze besluiten te sturen: bij alle dieren is dat allereerst registreren en interpreteren van door on ze zinnen en door andere organen aangeleverde informatie; voornamelijk bij mensen kan daarop evaluatie en manipulatie volgen, met name door de rede. Al deze activiteit brengt, behalve de ‘stelling’ van neuronen, ook de door Malabou genoemde veranderingen in de structuur van synapsen en hun uitlopers aan, veranderingen die alleen door de mens ook bewust en gewild kunnen zijn: daarin ligt Malabou’s plasticiteit en vrijheid. Deze plasticiteit kent echter geen ‘natuurlijke’ bestemming, hooguit natuurlijke beperkingen, zoals bv. door Swaab aangetoond. Nu kan  men desnoods een functie ook zien als een bestemming, maar dat is niet algemeen gebruikelijk in wetenschap en filosofie… tenzij men een Hegeliaan/Marxist is (reëificatie, historische materialisme). Als men met ‘bestemming’ bedoelt de functie van het brein, dan staat er dat wij naar een samenleving en haar cultuur – economisch en politiek – moeten streven die deze functie niet aantast; zij moet onze autonomie – zoals gedefinieerd in mijn boek -  respecteren. Als dat overeenkomt met haar ‘neurale bevrijding’, dan is dat een behartenswaardige conclusie. Helaas word zij ontsierd door de laatste zin: “Wat voor cultuur past…?” Er is geen cultuur die ons bekend of zelfs maar denkbaar is, en waarvan men kan weten dat zij daaraan zal voldoen. Wat wij kunnen en moeten doen is om te onderzoeken welke elementen van de huidige cultuur er niet in passen, en proberen deze te elimineren of te vervangen, kortom, een evolutionaire aanpak.

Pag. 54: “Om sneller tot een duidelijke formulering komen, stel ik voor die vragen te herleiden tot een keuzemogelijkheid: kunnen we ons dankzij de plasticiteit van de hersenen voorstellen, bij wijze van model, dat er een veelheid van interacties bestaat waarin de deelnemers elkaar tot transformaties brengen met behulp van aanspraken op dankbaarheid, niet overheersing en vrijheid? Of moeten we juist overwegen dat de plastiticiteit van de hersenen, tussen determinisme en polyvalentie in, de biologische rechtvaardiging is van een type economische, politieke en maatschappelijke organisatie waarin niets anders telt dan het resultaat van de actie, doeltreffendheid, aanpasbaarheidflexibiliteit door dik en dun?” Een bizarre formulering. ‘Transformatie’ gelijk of vergelijkbaar wordt gesteld aan ‘actie’. Ik kan mij een maatschappij voorstellen waar deelnemers elkaar tot transformaties kunnen brengen zonder overheersing, maar niet een waarin dankbaarheid het enige motief kan zijn en vrijheid als motief wordt uitgesloten. En een maatschappij waarin acties ongeacht de wijze waarop zij tot stand zijn gekomen niet tot een adequaat resultaat leiden is geen lang leven beschoren. Wel heeft de wijze waarop maatschappelijk besluiten worden genomen invloed op het effect ervan, en omgekeerd. Biologie alleen kan nooit een rechtvaardiging kan leveren voor een bepaalde vorm van de organisatie van onze maatschappij, en alleen doeltreffendheid en aanpasbaarheid kunnen nooit een rechtvaardiging leveren zonder een daaraan voorafgaande waardering van het doel. Kortom, de alternatieven sluiten elkaar niet uit. Als de biologie wel als rechtvaardiging wordt aanvaard, dan is haar vraag “wat te doen met ons brein” zinloos.

Tegen de titel van hoofdstuk 5, “U bent uw synapsen”, kan men hetzelfde – m.i. pietluttige – bezwaar inbrengen als tegen Swaab (een mens is meer dan dat)’. Er is echter ook fundamentele tegenwerping. De kern van dit hoofdstuk is (pag 91) “de overgang van het neurale naar het mentale, van het biologisch naar culturele, van de strikt natuurlijke basis van de geest naar de historische – en dus noodzakelijkerwijze ook naar de politieke en maatschappelijke functie ervan.” (Waarom een strikt natuurlijke basis van de geest niet ook een historische component zou hebben ontgaat mij.) Het gaat haar erom of deze overgang continu is en dus een ‘neuraal zelf’ poneert, of dat er een discontinuïteit, een spleet is. Haar opvatting is dat ‘continu’ volledige flexibiliteit (adapteren) betekent en geen plasticiteit (zelf verandering bewerkstelligen); dat men wordt geperst door een puur evolutionaire (zij zegt darwinistische) zeef, en dus geen vrijheid. (pag. 100/1) “Het is duidelijk dat onderbreking die het neurale scheidt van het mentale, die het proto-zelf scheidt van de verschillende vormen van bewustzijn, niet vergelijkbaar is met synaptische kieren, met openingen die een doorgang mogelijk maken en deze nooit belemmeren, maar met theoretische spleten die, om te worden verkleind, vergen dat een wetenschappelijke uitleg wordt afgewisseld met interpretatie.” … “Het lijkt ons enkel van belang te benadrukken dat als die theoretische spleet niet als zodanig wordt erkend, zoals over het algemeen in het neurowetenschappelijk discours het geval is, ze dreigt te worden opgevuld met niets dan brute en naïeve ideologie.”  “… en dat deze neurale configuraties mentale beelden kunnen worden. Dan blijft echter de vraag van welke aard het wordingsproces is dat de transformatie van het proto-zelf tot bewuste instantie mogelijk maakt”. In gewoon Nederlands betekent dit m.i. dat er een kloof is tussen wat de empirische wetenschap ons thans kan vertellen over ons brein en een verklaring van de wijze waarop dit brein uit deze thans bekende processen de mentale constructies kan voortbrengen. Wij zijn dan veroordeeld tot interpretaties en theorieën, tot speculaties. De kernvraag is of de empirische wetenschap per definitie nooit deze kloof zal kunnen overbruggen, of dat is zij gewoon nog niet zover gevorderd omdat de daarvoor nodige gegevens nog ontbreken. In dit hoofdstuk geeft zij geen bewijs voor haar keuze voor het eerste; ik moet veronderstellen dat zij doelt op haar stelling dat ook de wetenschap niet vrij is van ideologie. In dat geval is dit argument niet van toepassing, want het geldt voor alle informatie (zie mijn boek) en kan dus geen kloof verklaren en de wetenschap heeft desondanks veel zaken kunnen verklaren. Deze theoretische spleten die het neurale scheiden van het mentale gelden alleen voorlopig; de ‘normale’ verwachting is dat hij zal worden overbrugd wanneer wij het denkproces per individuele neuron kunnen volgen. Madelou’s keuze is alleen te verklaren door de noodzaak van zulk een existentiële kloof voor haar verdere argumentatie.

Zij brengt daartoe een nieuwe soort plasticiteit in stelling: verbindingsplasticiteit, “die het mogelijk maakt om een echte dialectiek van de vorming van het zelf door zichzelf uit te werken” (pag 111). Waarom wij een ‘echte dialectiek” nodig hebben van de vorming wordt als vanzelfsprekend verondersteld. Aangezien niet wordt uitgelegd wat een echte dialectiek is, moet ik veronderstellen dat zij de Hegeliaanse bedoelt, en die is niet meer te rijmen met onze huidige kennis van het leven.

Pag 106 “Maar wat hebben we aan een splinternieuw brein als we geen splinternieuwe identiteit hebben, als de synaptische verandering niets verandert? En wat houden we over aan al die redeneringen, aan al die beschrijvingen van de neurale mens, aan al die wetenschappelijke revoluties, behalve het ontbreken van revolutie in ons leven, het ontbreken van revolutie in ons zelf.” Hoor ik hier Herbert Marcuse (Reason and Revolution) doorklinken? In elk geval ontspringt de conclusie aan de veronderstelling van ‘een splinternieuw brein en dito identiteit’ en de daarop volgende implicatie dat niet is veranderd als niet alles is veranderd. Deze veronderstelling is in tegenspraak met de in het begin al geponeerde historiciteit, die geen veronderstelling van een splinternieuw brein toelaat. En plasticiteit verondersteld het transformeren van iets dat derhalve blijft bestaan. En onderaan: “Wij moeten constateren dat de neurale bevrijding ons niet heeft bevrijd.” Bevrijd van wat? Zij kan ons hooguit bevrijden van misvattingen, bv. van Hegel, en aldus onze vrijheidsruimte  oprekken.

Pag 109: “…halve maatregelen die Nietzsche terecht zou aanduiden als een zieke logica, die wanhoop en lijden teweegbrengt. Wat ons ontbreekt is leven, dat wil zeggen verzet. Wat wij willen is verzet. Verzet tegen de flexibiliteit, tegen de ideologische norm die, bewust of onbewust, verpakt zit in het reductionistische discours dat het neurale proces modelleert en naturaliseert om een bepaalde vorm van maatschappelijk en politiek functioneren te rechtvaardigen.” Dat wil ik ook, maar dan verzet tegen alle ideologische normen die men mij wil opdringen via geweld of misleiding.

Conclusie van Madelou:

Pag 126: “…terwijl de plasticiteit, verre van de wereld te weerspiegelen, de vorm is van een andere mogelijke wereld. (plasticiteit = vorm? aut.) Een bewustzijn van het brein produceren vergt dan ook dat we een pleidooi houden voor een biologisch andersglobalissme. Dit biologisch andersglobalisme is duidelijk dialectisch, zoals we al hebben betoogd. Het vergt dat we op de een of andere manier opnieuw de dialoog aangaan met denkers als Hegel, de eerste filosoof die van het woord ‘plasticiteit’ een concept heeft gemaakt en die over de betrek kingen tussen natuur en geest een theorie heeft uitgewerkt waarvan conflicten en tegenstellingen de essentie vormen.” Pag. 129: “ Wij hebben geprobeerd het debat te verplaatsen naar een ander gebied dan dat van de versleten tegenstelling tussen reductionisme en antireductionisme, en wel door de contouren te schetsen van een ideologische kritiek op de grondbegrippen die in de neurowetenschappen worden gehanteerd. In dit geval omvat dat ook een ideologische kritiek op de plasticiteit. Want zolang we geen vat krijgen op de politieke, economische, sociale en culturele implicaties van de op dit moment beschikbare kennis over de cerebrale plasticiteit, kunnen we met die plasticiteit niets doen.

Tussen het opduiken en het exploderen van de vorm wordt de subjectiviteit geconfronteerd met de uitdaging van de plasticiteit. Wij hebben geprobeerd onszelf midden in zo’n uitdaging te positioneren en we hebben de lezers uitgenodigd te doen wat ze waarschijnlijk nooit eerder hebben gedaan: met hun eigen brein een betrekking opbouwen en in stand houden als bevond zich daar het beeld van een toekomstige wereld.”

(*)In haar nawoord in de Nederlandse editie komt Madelou terug op haar oproep tot een revolutie en bekend dat zij geen antwoord heeft op het kapitalisme: “Ik erken volmondig dat mijn betoog uit 2004 ook iets naïefs had” (pag 142). Toch neemt zij geen afstand van de opvatting dat het kapitalisme de bron van al het kwaad is, en van de Hegeliaanse dialectiek (zie ook Marcuse, “Reason and Revolution),  getuige de op een na laatste zin van haar boek: “Ontsnappen (uit het kapitalistisch systeem, aut.) komt misschien neer op het inzicht dat de biologische subjectiviteit een soort wapen is, dat zodanig kan worden ontwikkeld dat ze niet meer louter de spiegel is van het systeem, maar het systeem kan doen exploderen.” Het is bizar dat iemand die het verlies aan vrijheid en identiteit door de ‘geest’ van het kapitalisme aan de orde stelt, en zelf niet beseft hoe gevangen zij zit in de ‘geest’ van Hegel.